Spelling
Hoofdstuk 1 Spelling
§1.1 Werkwoordspelling
§1.2 Hoofdletters en leestekens
Komma
- Tussen de onderdelen van opsommingen, niet voor ‘en’
- Tussen twee persoonsvormen
- Voor of na een aanspreking of tussenwerpsel
- Voor en na een bijstelling
- (In lange zinnen) voor een voegwoord waarmee de bijzin begint
Puntkomma
- Tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen
- Tussen delen van opsommingen, zeker als het om zinnen gaat
, Dubbele punt
- Opsomming
- Directe rede
- Verklaring
Aanhalingstekens
- Bij een citaat
- Bij een directe rede
- Bij het weergeven van gedachten GEEN aanhalingstekens
- Om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft dan normaal
- Als je het woord zelf bedoelt en niet de betekenis
Haakjes
- Informatie als toelichting, uitleg of voorbeeld
- Beste zo min mogelijk gebruiken verstoren de lopende tekst
Beletselteken (drie puntjes)
- Aan het eind van een zin die niet af is
- Om in een citaat aan te geven dat je een stukje weglaat
§1.3 Meervoudsvorming en verkleinwoorden
Meervoud op -s
- Schrijf de -s aan een woord vast als de uitspraak correct blijft
- Schrijf -s om uitspraakproblemen te voorkomen
Bij afkortingen
In woorden die eindigen op a, i, o, u, y
Meervoud op -en
- Als een woord eindigt op een onbeklemtoonde -ik, -es of -et, verdubbelt de laatste
medeklinker niet
- Klemtoon op -ie meervoud op ën
- Klemtoon niet op -ie meervoud met n; trema op e die er al staat
Verkleinwoorden
- Maak verkleinwoorden door -je, -kje, -pje, -tje of -etje achter het zelfst. nw. te zetten
- Korte klanken worden als verkleinwoorden soms lang
- Afkortingen krijgen een apostrof
§1.4 Samenstellingen, ‘sommige(n), getallen
Samenstellingen
Schrijf de volgende samenstellingen aan elkaar:
- Samenstellingen van twee of drie woorden
- Getallen tot duizend (in letters) en samenstellingen met honderd en duizend
Hoofdstuk 1 Spelling
§1.1 Werkwoordspelling
§1.2 Hoofdletters en leestekens
Komma
- Tussen de onderdelen van opsommingen, niet voor ‘en’
- Tussen twee persoonsvormen
- Voor of na een aanspreking of tussenwerpsel
- Voor en na een bijstelling
- (In lange zinnen) voor een voegwoord waarmee de bijzin begint
Puntkomma
- Tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen
- Tussen delen van opsommingen, zeker als het om zinnen gaat
, Dubbele punt
- Opsomming
- Directe rede
- Verklaring
Aanhalingstekens
- Bij een citaat
- Bij een directe rede
- Bij het weergeven van gedachten GEEN aanhalingstekens
- Om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft dan normaal
- Als je het woord zelf bedoelt en niet de betekenis
Haakjes
- Informatie als toelichting, uitleg of voorbeeld
- Beste zo min mogelijk gebruiken verstoren de lopende tekst
Beletselteken (drie puntjes)
- Aan het eind van een zin die niet af is
- Om in een citaat aan te geven dat je een stukje weglaat
§1.3 Meervoudsvorming en verkleinwoorden
Meervoud op -s
- Schrijf de -s aan een woord vast als de uitspraak correct blijft
- Schrijf -s om uitspraakproblemen te voorkomen
Bij afkortingen
In woorden die eindigen op a, i, o, u, y
Meervoud op -en
- Als een woord eindigt op een onbeklemtoonde -ik, -es of -et, verdubbelt de laatste
medeklinker niet
- Klemtoon op -ie meervoud op ën
- Klemtoon niet op -ie meervoud met n; trema op e die er al staat
Verkleinwoorden
- Maak verkleinwoorden door -je, -kje, -pje, -tje of -etje achter het zelfst. nw. te zetten
- Korte klanken worden als verkleinwoorden soms lang
- Afkortingen krijgen een apostrof
§1.4 Samenstellingen, ‘sommige(n), getallen
Samenstellingen
Schrijf de volgende samenstellingen aan elkaar:
- Samenstellingen van twee of drie woorden
- Getallen tot duizend (in letters) en samenstellingen met honderd en duizend