Hoofdstuk 6:
De significantietoets is een methode waarmee je op grond van een steekproef nagaat hoe sterk de
evidente is tegen een bepaalde hyppothese en vervolgens een beslissing maakt om deze wel/niet te
verwerpen.
5 stappen van een hyppothesetoets (komt terug in onderdelen op het tentamen):
1. Aannames benoemen
• steekproefdata, variabele beschrijven
2. Hyppotheses opstellen
• nulhyppothese, alternateve hyppothese bepalen
3. Toetsingsgrootheid berekenen
• steekproefgemiddelde/ -proporte / -frequentes vergeleken tov
waarde nulhyppothese, gemeten in standaarddeviates verschil
4. P-waarde bepalen
• kans dat waargenomen steekproefgemiddelde/ -proporte, of nog extremer,
zich voordoet bij herhaalde steekproefrekkingen, gegeven dat nulhyppothese klopt.
of
4. Kriteke waarde bepalen
• waarde van toetsingsgrootheid waarvoor geldt dat kans op deze waarde, of nog
extremer, door steekproefvariate (toeval) gelijk is aan signifcanteniveau.
5. Conclusie trekken
• al dan niet verwerpen van nulhyppothese op basis van gevonden p-waarde, of
opgezochte kriteke waarde en gekozen signifcanteniveau (α)
Eenzijdig of tweezijdig toetsen van hypothesen
- Wanneer de alternateve hyppothese non-
directoneel is: tweezijdig toetsen
- Wanneer de alternateve hyppothese
directoneel is: eenzijdig toetsen
- Praktjk: tweezijdig toetsen, tenzij er hele
sterke argumenten zijn om dat niet te doen.
Oorzaken verkeerde conclusie significantietoetsen
1. Toevalstrefers en onderscheidend vermogen
2. Fouteve interpretates
3. Schenden van aannames
Toevalstreffers en onderscheidend vermogen
- Ofewel: generaliseren van steekproef naar populate crepert onzekerheid
o Door steekproefvariante (toeval) kan resultaat in steekproef hoger/lager zijn dan in
de populate het geval is.
De significantietoets is een methode waarmee je op grond van een steekproef nagaat hoe sterk de
evidente is tegen een bepaalde hyppothese en vervolgens een beslissing maakt om deze wel/niet te
verwerpen.
5 stappen van een hyppothesetoets (komt terug in onderdelen op het tentamen):
1. Aannames benoemen
• steekproefdata, variabele beschrijven
2. Hyppotheses opstellen
• nulhyppothese, alternateve hyppothese bepalen
3. Toetsingsgrootheid berekenen
• steekproefgemiddelde/ -proporte / -frequentes vergeleken tov
waarde nulhyppothese, gemeten in standaarddeviates verschil
4. P-waarde bepalen
• kans dat waargenomen steekproefgemiddelde/ -proporte, of nog extremer,
zich voordoet bij herhaalde steekproefrekkingen, gegeven dat nulhyppothese klopt.
of
4. Kriteke waarde bepalen
• waarde van toetsingsgrootheid waarvoor geldt dat kans op deze waarde, of nog
extremer, door steekproefvariate (toeval) gelijk is aan signifcanteniveau.
5. Conclusie trekken
• al dan niet verwerpen van nulhyppothese op basis van gevonden p-waarde, of
opgezochte kriteke waarde en gekozen signifcanteniveau (α)
Eenzijdig of tweezijdig toetsen van hypothesen
- Wanneer de alternateve hyppothese non-
directoneel is: tweezijdig toetsen
- Wanneer de alternateve hyppothese
directoneel is: eenzijdig toetsen
- Praktjk: tweezijdig toetsen, tenzij er hele
sterke argumenten zijn om dat niet te doen.
Oorzaken verkeerde conclusie significantietoetsen
1. Toevalstrefers en onderscheidend vermogen
2. Fouteve interpretates
3. Schenden van aannames
Toevalstreffers en onderscheidend vermogen
- Ofewel: generaliseren van steekproef naar populate crepert onzekerheid
o Door steekproefvariante (toeval) kan resultaat in steekproef hoger/lager zijn dan in
de populate het geval is.