Analyse en interpretatie 2
WEEK B1
Berekening standaarddeviatie:
Stap 1: gemiddelde uitrekenen
Stap 2: getal – gemiddelde
Stap 3: de uitkomst daarvan kwadrateren
Stap 4: daarvan het gemiddelde uitrekenen = variantie
Stap 5: de wortel van de variantie = standaarddeviatie
Normale verdeling = als iets rond het gemiddelde verdeeld zit.
Midden is gemiddelde (U)
De rest is standaardafwijking (O)
Kans = 68% of 13,5% enz.
Correlatie = samenhang tussen 2 reeksen
waarnemingsgetallen.
Trendlijn = best passende lijn bij de punten.
Soorten correlatie:
Positieve correlatie = (van links naar rechts) het is een stijgende lijn.
Negatieve correlatie = (van links naar rechts) het is een dalende lijn.
Geen correlatie = het is niet mogelijk om een lijn te trekken omdat de punten overal zitten.
Variatiebreedte = de gehele breedte: van het minimum tot maximum. max – min = variatiebreedte.
Interkwartielafstand = middelste 50%. 75% - 25% = interkwartielafstand. Voordeel: uitschieters doen
niet mee.
Variantie = de maat die aangeeft hoe waarnemingen verspreid liggen ten opzichte van het
gemiddelde; de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde.
Vrijheidsgraden = het aantal onafhankelijke schattingen die je van een bepaalde waarde kunt maken.
Standaardafwijking = wortel van de variantie.
Correlatiecoëfficiënt = hiermee kan je kijken hoe sterk het verband is tussen 2 variabelen.
Uitdrukken in kleine letter ‘r’
Uitkomst is <0 = negatieve correlatie
Uitkomst is >0 = positieve correlatie
Uitkomst is 0 = geen samenhang tussen 2 variabelen
Uitkomst is 0-0,3 = samenhang is zwak
Uitkomst is 0,3-0,5 = samenhang is gemiddeld sterk
Uitkomst is >0,5 = samenhang is sterk
Correlatiecoëfficiënt uitrekenen:
Stap 1: (waarneming1 – gemiddelde waarneming1)2 dit herhalen bij elke
Stap 2: (waarneming2 – gemiddelde waarneming2)2 dit herhalen bij elke
Stap 3: alle waarnemingen van 1 bij elkaar optellen
Stap 4: alle waarnemingen van 2 bij elkaar optellen
Stap 5: stap 3 en stap 4 met elkaar vermenigvuldigen
, Stap 6: van het antwoord van stap 5 de wortel nemen.
Stap 7: waarneming1 – gemiddelde waarneming1 dit herhalen bij elke
Stap 8: waarneming2 – gemiddelde waarneming2 dit herhalen bij elke
Stap 9: stap 7 x stap 8 dit herhalen bij elke
Stap 10: alles van stap 9 bij elkaar optellen.
Stap 11: uitkomst stap 10 : uitkomst stap 6
Populatievariantie:
1 : N = 1 delen door populatiegrootte
Grote teken = berekening die erna komt, voor elke waarneming gebruiken en bij elkaar optellen
= X is de meting en i is het nummer van de meting
= populatiegemiddelde
Voorbeeld:
Alle eindcijfers bij elkaar optellen en delen
door aantal studenten = gemiddelde cijfer
X1 – U = 4 – 5,833 = -1,833
X2 – U = 8 – 5,833 = 2,167
Enz.
(X1 – U)2 = (4 – 5,833)2 = 3,361
(X2 – U)2 = (8 – 5,833)2 = 4,694
Enz.
Alles van de kwadraten bij elkaar optellen
= 41,667
Dat delen door populatiegrootte (is zelfde als
vermenigvuldigen met 1 : N)
= 3,472
Dus: populatievariatie is 3,472
Populatie = 1 : populatie
Steekproef = 1 : (steekproef – 1)
Standaarddeviatie = wortel van variatie (teken is O, sigma)
Vuistregels normaalverdeling:
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 2/3 van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 1 standaarddeviatie van het gemiddelde.
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 95% van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 2 standaarddeviaties van het gemiddelde.
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 99% van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 3 standaarddeviaties van het gemiddelde.
WEEK B1
Berekening standaarddeviatie:
Stap 1: gemiddelde uitrekenen
Stap 2: getal – gemiddelde
Stap 3: de uitkomst daarvan kwadrateren
Stap 4: daarvan het gemiddelde uitrekenen = variantie
Stap 5: de wortel van de variantie = standaarddeviatie
Normale verdeling = als iets rond het gemiddelde verdeeld zit.
Midden is gemiddelde (U)
De rest is standaardafwijking (O)
Kans = 68% of 13,5% enz.
Correlatie = samenhang tussen 2 reeksen
waarnemingsgetallen.
Trendlijn = best passende lijn bij de punten.
Soorten correlatie:
Positieve correlatie = (van links naar rechts) het is een stijgende lijn.
Negatieve correlatie = (van links naar rechts) het is een dalende lijn.
Geen correlatie = het is niet mogelijk om een lijn te trekken omdat de punten overal zitten.
Variatiebreedte = de gehele breedte: van het minimum tot maximum. max – min = variatiebreedte.
Interkwartielafstand = middelste 50%. 75% - 25% = interkwartielafstand. Voordeel: uitschieters doen
niet mee.
Variantie = de maat die aangeeft hoe waarnemingen verspreid liggen ten opzichte van het
gemiddelde; de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde.
Vrijheidsgraden = het aantal onafhankelijke schattingen die je van een bepaalde waarde kunt maken.
Standaardafwijking = wortel van de variantie.
Correlatiecoëfficiënt = hiermee kan je kijken hoe sterk het verband is tussen 2 variabelen.
Uitdrukken in kleine letter ‘r’
Uitkomst is <0 = negatieve correlatie
Uitkomst is >0 = positieve correlatie
Uitkomst is 0 = geen samenhang tussen 2 variabelen
Uitkomst is 0-0,3 = samenhang is zwak
Uitkomst is 0,3-0,5 = samenhang is gemiddeld sterk
Uitkomst is >0,5 = samenhang is sterk
Correlatiecoëfficiënt uitrekenen:
Stap 1: (waarneming1 – gemiddelde waarneming1)2 dit herhalen bij elke
Stap 2: (waarneming2 – gemiddelde waarneming2)2 dit herhalen bij elke
Stap 3: alle waarnemingen van 1 bij elkaar optellen
Stap 4: alle waarnemingen van 2 bij elkaar optellen
Stap 5: stap 3 en stap 4 met elkaar vermenigvuldigen
, Stap 6: van het antwoord van stap 5 de wortel nemen.
Stap 7: waarneming1 – gemiddelde waarneming1 dit herhalen bij elke
Stap 8: waarneming2 – gemiddelde waarneming2 dit herhalen bij elke
Stap 9: stap 7 x stap 8 dit herhalen bij elke
Stap 10: alles van stap 9 bij elkaar optellen.
Stap 11: uitkomst stap 10 : uitkomst stap 6
Populatievariantie:
1 : N = 1 delen door populatiegrootte
Grote teken = berekening die erna komt, voor elke waarneming gebruiken en bij elkaar optellen
= X is de meting en i is het nummer van de meting
= populatiegemiddelde
Voorbeeld:
Alle eindcijfers bij elkaar optellen en delen
door aantal studenten = gemiddelde cijfer
X1 – U = 4 – 5,833 = -1,833
X2 – U = 8 – 5,833 = 2,167
Enz.
(X1 – U)2 = (4 – 5,833)2 = 3,361
(X2 – U)2 = (8 – 5,833)2 = 4,694
Enz.
Alles van de kwadraten bij elkaar optellen
= 41,667
Dat delen door populatiegrootte (is zelfde als
vermenigvuldigen met 1 : N)
= 3,472
Dus: populatievariatie is 3,472
Populatie = 1 : populatie
Steekproef = 1 : (steekproef – 1)
Standaarddeviatie = wortel van variatie (teken is O, sigma)
Vuistregels normaalverdeling:
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 2/3 van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 1 standaarddeviatie van het gemiddelde.
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 95% van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 2 standaarddeviaties van het gemiddelde.
- In een normaal verdeelde populatie ligt altijd ongeveer 99% van het aantal waarnemingen binnen
een afstand van 3 standaarddeviaties van het gemiddelde.