doofblindheid
Begrippen:
Doofblind Gehoorverlies en zichtverlies.
Je bent doofblind als je het gehoorverlies niet nan compenseren met
het gezichtsvermogen en het verlies aan je zicht niet nunt
compenseren met je gehoor.
Congenitale doofblindheid Aangeboren / voor 3e levensjaar.
Verworven doofblindheid Erfelijn, maar na de jeugd nomt het tot uitng.
Ouderdoms-doofblindheid Niet erfelijn, pas wanneer men ouder wordt.
Rubellasyndroom / Virale infecte tjdens eerste wenen zwangerschap.
Rode hond
CHARGE-syndroom Aangeboren aandoening met verschillende nenmernen, oorzaan =
verandering in DNA.
Syndroom van Zellweger Erfelijne aandoening waarbij door enzymdefciinte tal van
stoornissen ontstaan in o.a. de lever, nieren en hersenen.
Enzymdefciintee wanneer je van een bepaald enzym maar een deel
nan aanmanen van wat je nodig hebt.
Syndroom van Usher Erfelijne aandoening die voor doofblindheid zorgt. 3 typese
1e doof geboren en retnits pigmentosa; 2e slechthorend geboren en
RT; 3e aangeboren progressieve slechthorendheid en RT.
Syndroom van Hallgren TRD, doofeid en ataxie
Syndroom van Alström TRD, doofeid en obesitas
Syndroom van Von Erfelijne ziente waarbij gezwellen ontstaan rond de zenuwen.
Recnlinghausen
Syndroom van Sylvester Progressieve doofblindheid en motorische achteruitgang.
Wolframsyndroom / Zeldzame genetsche ziente die de hersenstam, hersenen en het
DIDMOAD-syndroom centrale zenuwstelsel aantast.
Presbyacusis Ouderdomsslechthorendheid.
Tapeto Retnale Dystrofe Erfelijne oogziente. Hierbij vindt afname van de functe van het
(TRD) vaatvlies plaats.
Retnits pigmentosa Erfelijne oogziente aan het netvlies.
Ataxie Verstoring van het evenwicht en de bewegingscoördinate.
Leerdoelen les 1:
1. De student is in staat een opsomming te geven van de verschillende soorten dooflindheid en
de verschillen en overeenkomsten tussen die groepen aan te geven.
3 soortene
- Congenitale (aangeboren / voor 3e levensjaar) (geen besef van verschil in en buitenwereld)
- Verworven (erfelijn, maar na jeugd nomt het tot uitng) (leren communiceren, maar valt weg
bij manifestate ziente)
- Ouderdoms- (bij ouderen, niet erfelijn) (leren communiceren, maar valt weg bij manifestate
ziente)
2. De student is in staat de gevolgen van de handicap voor het leven van de dooflinde te
beschrijven.
- Grote beperningen op gebied van vernrijgen van informate, communicate en mobiliteit