, 1. De normale groei en ontwikkeling van het kind
De student kan:
1. De verschillende levensfasen van het kind beschrijven met daarbij de kenmerkende aspecten van
groei en ontwikkeling;
2. Een onderscheid maken tussen primaire en secundaire lengtegroei alsmede het benoemen van
externe factoren die daarop van invloed zijn;
3. De anatomische kenmerken benoemen van de verschillende levensfasen;
4. De verandering in vitale parameters benoemen van de verschillende levensfasen;
5. Het belang aangeven van de ontwikkeling van de afweer en het belang van preventieve
bescherming hierbij doormiddel van vaccinaties;
6. Het Rijksvaccinatieschema in hoofdlijnen beschrijven.
Levensfasen:
- Neonaat 0-28 dagen
- Zuigeling 0-1 jaar
- Peuter 1-4 jaar
- Kleuter 4-6 jaar
- Schoolkind 6-12 jaar
- Tiener 12-18 jaar
- Adolescent 18-24 jaar
Algemene kenmerken:
- Gelijkmatige lengtegroei
- Individuele verschillen in groei
- Genetische verschillen in groei
- Groeicurves voor gewicht, lengte en schedelomtrek
- Groeicurves met pecentiel of SD lijnen
- Stapsgewijze motorische, verbale, emotionele en sociale ontwikkeling
- Individuele verschillen in ontwikkeling
Primair groeiproces: lange pijpbeenderen en wervellichamen -> bovenarm, onderarm, bovenbeen,
onderbeen.
Botaanmaak vanuit kraakbeencellen.
Vanuit epifyse (klier in de hersenen) via groeischrijf (uiteinde van een bot. Deze maken nieuw bot aan
vanuit kraakbeencellen en zorgen voor lengtegroei) naar diafyse (middelste deel van een pijp been
tussen de beide uiteinde met mergholte ookwel schacht).
- Calcium en fosfaat maken het bot heel hard. Maar hiermee ook kwetsbaar
, 3 soorten botcellen
- Osteoblasten: opbouw van cellen met calcium, fosfaat en botmatrix. Bevinden zich in de
binnenste laag van het periost, groeischijven en bij een fractuur.
- Osteocyten: onderhouden van nieuw botweefsel, optimaliseren van klimaat van botweefsel
- Osteoclasten: breken bot af. Maken calcium en fosfaat los van het bot. Het stimuleren van dit
hormoon wordt gedaan door PTH (bijschildklierhormoon) en remming door calcitonine uit de
schildklier.
Secundaire groeiproces: hormonen en groeifactoren
- Groeihormonen
- Insuline-like growth factor I -> zorgt ervoor dat glucose de cel in kan
- Schildklierhormoon -> TSH (thyroïd stimulerend hormoon) stuurt de schildklier aan tot
het maken van thyroxine. Dit is nodig om het groeihormoon goed te laten werken.
- Geslachtshormonen (adrogenen, oestrogenen
- Vitamine D -> is nodig om calcium op te nemen uit het maag darm kanaal.
o Door de ziekte van crohn kan vitamine D niet goed worden opgenomen.
Tekort vitamine D -> tekort calcium -> tekort in zenuwstelsel -> te kort in
spierstelsel -> tintelingen, gevoelloosheid, jeuk, spierspasmen,
verstijving, abnormale hartritmes, zwakkere botten en risico op
botbreuken, spierpijn
Ontwikkeling: adaptatie -> fijne motoriek -> grove motoriek -> spraak-taal -> persoon-sociaal
Het schildklierhormoon zorgt ervoor dat celmetabolysme plaats vindt zodat deze glucose verbranden
en gaan groeien.
Kinderen hebben meer vocht nodig in vergelijking met volwassenen. Dit vocht zit voornamelijk in de
cel.
Elektrolyten:
Natrium: natrium is positief geladen +. Vochthuishouding, zenuwstelsel. Natrium-kaliumpomp.
Natrium zit voornamelijk buiten de cel.
De student kan:
1. De verschillende levensfasen van het kind beschrijven met daarbij de kenmerkende aspecten van
groei en ontwikkeling;
2. Een onderscheid maken tussen primaire en secundaire lengtegroei alsmede het benoemen van
externe factoren die daarop van invloed zijn;
3. De anatomische kenmerken benoemen van de verschillende levensfasen;
4. De verandering in vitale parameters benoemen van de verschillende levensfasen;
5. Het belang aangeven van de ontwikkeling van de afweer en het belang van preventieve
bescherming hierbij doormiddel van vaccinaties;
6. Het Rijksvaccinatieschema in hoofdlijnen beschrijven.
Levensfasen:
- Neonaat 0-28 dagen
- Zuigeling 0-1 jaar
- Peuter 1-4 jaar
- Kleuter 4-6 jaar
- Schoolkind 6-12 jaar
- Tiener 12-18 jaar
- Adolescent 18-24 jaar
Algemene kenmerken:
- Gelijkmatige lengtegroei
- Individuele verschillen in groei
- Genetische verschillen in groei
- Groeicurves voor gewicht, lengte en schedelomtrek
- Groeicurves met pecentiel of SD lijnen
- Stapsgewijze motorische, verbale, emotionele en sociale ontwikkeling
- Individuele verschillen in ontwikkeling
Primair groeiproces: lange pijpbeenderen en wervellichamen -> bovenarm, onderarm, bovenbeen,
onderbeen.
Botaanmaak vanuit kraakbeencellen.
Vanuit epifyse (klier in de hersenen) via groeischrijf (uiteinde van een bot. Deze maken nieuw bot aan
vanuit kraakbeencellen en zorgen voor lengtegroei) naar diafyse (middelste deel van een pijp been
tussen de beide uiteinde met mergholte ookwel schacht).
- Calcium en fosfaat maken het bot heel hard. Maar hiermee ook kwetsbaar
, 3 soorten botcellen
- Osteoblasten: opbouw van cellen met calcium, fosfaat en botmatrix. Bevinden zich in de
binnenste laag van het periost, groeischijven en bij een fractuur.
- Osteocyten: onderhouden van nieuw botweefsel, optimaliseren van klimaat van botweefsel
- Osteoclasten: breken bot af. Maken calcium en fosfaat los van het bot. Het stimuleren van dit
hormoon wordt gedaan door PTH (bijschildklierhormoon) en remming door calcitonine uit de
schildklier.
Secundaire groeiproces: hormonen en groeifactoren
- Groeihormonen
- Insuline-like growth factor I -> zorgt ervoor dat glucose de cel in kan
- Schildklierhormoon -> TSH (thyroïd stimulerend hormoon) stuurt de schildklier aan tot
het maken van thyroxine. Dit is nodig om het groeihormoon goed te laten werken.
- Geslachtshormonen (adrogenen, oestrogenen
- Vitamine D -> is nodig om calcium op te nemen uit het maag darm kanaal.
o Door de ziekte van crohn kan vitamine D niet goed worden opgenomen.
Tekort vitamine D -> tekort calcium -> tekort in zenuwstelsel -> te kort in
spierstelsel -> tintelingen, gevoelloosheid, jeuk, spierspasmen,
verstijving, abnormale hartritmes, zwakkere botten en risico op
botbreuken, spierpijn
Ontwikkeling: adaptatie -> fijne motoriek -> grove motoriek -> spraak-taal -> persoon-sociaal
Het schildklierhormoon zorgt ervoor dat celmetabolysme plaats vindt zodat deze glucose verbranden
en gaan groeien.
Kinderen hebben meer vocht nodig in vergelijking met volwassenen. Dit vocht zit voornamelijk in de
cel.
Elektrolyten:
Natrium: natrium is positief geladen +. Vochthuishouding, zenuwstelsel. Natrium-kaliumpomp.
Natrium zit voornamelijk buiten de cel.