Samenvatting hoofdstuk 3 - De zuigelingenperiode
Boek: Nederlands leerboek jeugdgezondheidszorg.
Blz. 128 t/m 214
3.1 - Typering van de leeftijdsfase
De vervulling van de basisbehoeften (veiligheid, voeding enz.) is een
basisvoorwaarden om te kunnen groeien en zich te (willen) ontwikkelen.
Trial- and- error = Alles uitproberen
Een zuigeling ontwikkelt zich razendsnel, bijna dagelijks zie je hem veranderen.
De volgorde waarin de ontwikkeling plaatsvindt, ligt vrij vast. Maar het
ontwikkelingstempo wisselt sterk.
3.2 - Het interne milieu: groei en ontwikkeling
3.2.1 - Lichamelijke groei en ontwikkeling
Gemiddeld verdrievoudigt het geboortegewicht zich in een jaar tijd en neemt de
lengte met 50% toe. Jongens zijn over het algemeen iets zwaarder en langer.
Onder groei verstaan we het toenemen in lengte, omvang en gewicht.
Naarmate het zenuwstelsel rijpt, vertakken zenuwen zich in steeds verfijndere
uitlopers waarbij de onderlinge afstemming en samenhangt gehandhaafd blijft.
Zowel aanlegfactoren als omgevingsfactoren zijn erop van invloed.
Voor een optimale groei zijn het gezin, hechting en andere sociaal-emotionele
factoren van belang.
Door de relatief korte armen en benen krijgt de bolle babybuik extra nadruk.
Door de toename van het onderhuidse vat lijkt een baby tussen de 3-9 maanden dik
of ‘mollig’ met een ‘rond’ lijf en ‘ronde’ beentjes en armpjes. Dit is normaal en
verdwijnt weer in de peuterperiode.
Als de curve van de hoofdomtrek afwijkt, kan dit wijze op een afwijkende groei van de
schedel, maar ook op afwijkingen in de hersenen.
Een verminderde groei van de schedel treedt op wanneer de schedelnaden zich
vervroegd sluiten; hierbij kan de omvang als ook de vorm van het hoofd afwijkend
worden (craniosynostose)
Drukverhoging in de hersenen zorgt voor versnelde toename van de hoofdomtrek,
daarbij zullen de fontanellen en schedelanden zich vertraagd sluiten.
6-9 maanden krijgen van het eerste tandje. Beginnen met gebitsverzorging.
Ogen
Een zuigeling van 1 week oud opent de ogen als reactie op een lichtprikkel.
De oogbewegingen zijn nog matig gecoördineerd, waardoor pasgeborenen
regelmatig scheelzien.
Merendeel van de zuigelingen is verziend (hypermetroop) is: het brandpunt van het
invallende licht valt achter het netvlies.
Het kind ziet scherp op een afstand van circa 20 cm.
Accommodatie (het meer of minder bol maken van de lens) komt geleidelijk op gang
en zorgt voor betere gezichtsscherpte als de zuigeling ouder wordt.
Vanaf de leeftijd van 3 maanden kijkt de zuigeling meer naar bewegende voorwerpen
en vanaf 4 maanden ontwikkelt zich het diepte zien en de samenwerking tussen
beide ogen.
Bij de pasgeborene bestaat het netvlies uit staafjes.
De kegeltjes in het netvlies ontwikkel zich later, wanneer de hersencellen rijpen.
Primaire kleuren (vooral rood) worden het eerst waargenomen, pasteltinten worden
minder goed waargenomen. (staafjes: zwart/wit en kegeltjes: kleuren).
Boek: Nederlands leerboek jeugdgezondheidszorg.
Blz. 128 t/m 214
3.1 - Typering van de leeftijdsfase
De vervulling van de basisbehoeften (veiligheid, voeding enz.) is een
basisvoorwaarden om te kunnen groeien en zich te (willen) ontwikkelen.
Trial- and- error = Alles uitproberen
Een zuigeling ontwikkelt zich razendsnel, bijna dagelijks zie je hem veranderen.
De volgorde waarin de ontwikkeling plaatsvindt, ligt vrij vast. Maar het
ontwikkelingstempo wisselt sterk.
3.2 - Het interne milieu: groei en ontwikkeling
3.2.1 - Lichamelijke groei en ontwikkeling
Gemiddeld verdrievoudigt het geboortegewicht zich in een jaar tijd en neemt de
lengte met 50% toe. Jongens zijn over het algemeen iets zwaarder en langer.
Onder groei verstaan we het toenemen in lengte, omvang en gewicht.
Naarmate het zenuwstelsel rijpt, vertakken zenuwen zich in steeds verfijndere
uitlopers waarbij de onderlinge afstemming en samenhangt gehandhaafd blijft.
Zowel aanlegfactoren als omgevingsfactoren zijn erop van invloed.
Voor een optimale groei zijn het gezin, hechting en andere sociaal-emotionele
factoren van belang.
Door de relatief korte armen en benen krijgt de bolle babybuik extra nadruk.
Door de toename van het onderhuidse vat lijkt een baby tussen de 3-9 maanden dik
of ‘mollig’ met een ‘rond’ lijf en ‘ronde’ beentjes en armpjes. Dit is normaal en
verdwijnt weer in de peuterperiode.
Als de curve van de hoofdomtrek afwijkt, kan dit wijze op een afwijkende groei van de
schedel, maar ook op afwijkingen in de hersenen.
Een verminderde groei van de schedel treedt op wanneer de schedelnaden zich
vervroegd sluiten; hierbij kan de omvang als ook de vorm van het hoofd afwijkend
worden (craniosynostose)
Drukverhoging in de hersenen zorgt voor versnelde toename van de hoofdomtrek,
daarbij zullen de fontanellen en schedelanden zich vertraagd sluiten.
6-9 maanden krijgen van het eerste tandje. Beginnen met gebitsverzorging.
Ogen
Een zuigeling van 1 week oud opent de ogen als reactie op een lichtprikkel.
De oogbewegingen zijn nog matig gecoördineerd, waardoor pasgeborenen
regelmatig scheelzien.
Merendeel van de zuigelingen is verziend (hypermetroop) is: het brandpunt van het
invallende licht valt achter het netvlies.
Het kind ziet scherp op een afstand van circa 20 cm.
Accommodatie (het meer of minder bol maken van de lens) komt geleidelijk op gang
en zorgt voor betere gezichtsscherpte als de zuigeling ouder wordt.
Vanaf de leeftijd van 3 maanden kijkt de zuigeling meer naar bewegende voorwerpen
en vanaf 4 maanden ontwikkelt zich het diepte zien en de samenwerking tussen
beide ogen.
Bij de pasgeborene bestaat het netvlies uit staafjes.
De kegeltjes in het netvlies ontwikkel zich later, wanneer de hersencellen rijpen.
Primaire kleuren (vooral rood) worden het eerst waargenomen, pasteltinten worden
minder goed waargenomen. (staafjes: zwart/wit en kegeltjes: kleuren).