WONG, J. VAN POLYPEPTIDEKETEN
TOT EEN WERKZAAM EIWIT
BIOLOGIE FUNCTIES VAN EIWITTEN
2023-2024
VWO 6 ENZYMWERKING
REGELING VAN EIWITTEN
IN EEN CEL
EIWITTEN IN EEN CEL
Eiwitten
hoofdstuk 18
, TABLE OF CONTENTS
18.1 05
van polypeptideketen tot een
werkzaam eiwit
18.2 07
functies van eiwitten
18.3 09
enzymwerking
18.4 11
regeling van eiwitten in een cel
CRISPR-Cas9
18.5 13
eiwitten in een cel
DNA-microarray
ALZHEIMERS 15
eiwitten en de ziekte van Alzheimers
02
,Eiwitten
, 18.1 VAN POLYPEPTIDEKETEN TOT EEN WERKZAAM EIWIT
Stappenplan - mRNA tot werkzaam eiwit ribosoom klein
5'
1. Celkern: mRNA verlaat de celkern na transcriptie via de
kernporiën.
a
2. Cytoplasma: in het cytoplasma koppelt het mRNA met een
ribosoom. Eerst koppelt het 5'-einde aan het kleine deel. tRNA
(a) bindt ook aan het mRNA. ribosoom groot
3'
3. Ribosoom: als het startcodon (AUG) wordt bereikt, begint de
→
translatie (5' 3'); het grote deel bindt zich aan het complex. ribosoom klein
4. Translatie: een ander tRNA (b) bindt aan het complex. Deze 5'
bevat een nieuw aminozuur. Door overdracht van het eerst
a b
gebonden tRNA (a) wordt de keten langer. tRNA (a) laat los. Weer
een ander tRNA (c) brengt het volgende aminozuur. tRNA (b)
draagt het aminozuur over en laat los (zie hiernaast). ribosoom groot
3'
5. SHM: tijdens de translatie verplaatst het complex zich naar het
ER. Het eerste deel van de al gevormde polypeptideketen is het ribosoom klein
adreslabel. Deze ligt dus al vast in het DNA. Een 5'
signaalherkenningsmolecuul (SHM) uit het grondplasma bindt
b c
aan dit adreslabel, waardoor de translatie voorlopig stopt.
6. Endoplasmatisch reticulum: eenmaal bij het ER, bindt het SHM a
aan een SHM-receptor van het ER. Het ribosoomcomplex zelf ribosoom groot
hecht aan een ribosoomreceptor. Het ribosoomcomplex bevindt
zich nu precies boven een eiwitpoort van het ER. ribosoom klein
7. GTP: guanosinetrifosfaat (GTP) hecht aan de SHM-receptor 5'
waarna het door hydrolyse splitst in GDP en P i . Dit energierijk
molecuul ontkoppelt zo het SHM van de receptor waardoor de c d
translatie zich hervat. De polypeptideketen komt nu (via de b
eiwitpoort) in het ER. Het adreslabel wordt afgeknipt. ribosoom groot
8. Ontkoppelen: als het stopcodon is bereikt, wordt de
polypeptideketen ontkoppelt van het ribosoomcomplex. Het
1.0 translatie van mRNA
ribosoom komt los en valt weer in twee delen uit elkaar. De
eiwitpoort sluit.
9. Endoplasmatisch reticulum: de ruimtelijke structuur en andere
toevoegingen krijgt de keten in het ER. Via blaasjes, gemaakt van
het membraan van glad ER, worden de ketens vervoerd naar het
Golgi-systeem.
10. Golgi-systeem: in het Golgi-systeem worden nog andere
groepen toegevoegd en gewijzigd. Ook worden meerdere ketens
samengekoppeld tot één eiwit. Dit is de definitieve vorm. 1.1 GTP, bestaande uit (van links naar rechts)
drie fosfaatgroepen, ribose en de nucleobase guanine
11. Eindbestemming: nadat de eiwitten door het Golgi-systeem zijn
bewerkt, kunnen ze naar meerdere plaatsen gaan:
- buiten de cel (d.m.v. exocytose)
- lysosomen (in het cytoplasma)
- eiwitpoorten (fusie blaasjes met celmembraan)|
04
TOT EEN WERKZAAM EIWIT
BIOLOGIE FUNCTIES VAN EIWITTEN
2023-2024
VWO 6 ENZYMWERKING
REGELING VAN EIWITTEN
IN EEN CEL
EIWITTEN IN EEN CEL
Eiwitten
hoofdstuk 18
, TABLE OF CONTENTS
18.1 05
van polypeptideketen tot een
werkzaam eiwit
18.2 07
functies van eiwitten
18.3 09
enzymwerking
18.4 11
regeling van eiwitten in een cel
CRISPR-Cas9
18.5 13
eiwitten in een cel
DNA-microarray
ALZHEIMERS 15
eiwitten en de ziekte van Alzheimers
02
,Eiwitten
, 18.1 VAN POLYPEPTIDEKETEN TOT EEN WERKZAAM EIWIT
Stappenplan - mRNA tot werkzaam eiwit ribosoom klein
5'
1. Celkern: mRNA verlaat de celkern na transcriptie via de
kernporiën.
a
2. Cytoplasma: in het cytoplasma koppelt het mRNA met een
ribosoom. Eerst koppelt het 5'-einde aan het kleine deel. tRNA
(a) bindt ook aan het mRNA. ribosoom groot
3'
3. Ribosoom: als het startcodon (AUG) wordt bereikt, begint de
→
translatie (5' 3'); het grote deel bindt zich aan het complex. ribosoom klein
4. Translatie: een ander tRNA (b) bindt aan het complex. Deze 5'
bevat een nieuw aminozuur. Door overdracht van het eerst
a b
gebonden tRNA (a) wordt de keten langer. tRNA (a) laat los. Weer
een ander tRNA (c) brengt het volgende aminozuur. tRNA (b)
draagt het aminozuur over en laat los (zie hiernaast). ribosoom groot
3'
5. SHM: tijdens de translatie verplaatst het complex zich naar het
ER. Het eerste deel van de al gevormde polypeptideketen is het ribosoom klein
adreslabel. Deze ligt dus al vast in het DNA. Een 5'
signaalherkenningsmolecuul (SHM) uit het grondplasma bindt
b c
aan dit adreslabel, waardoor de translatie voorlopig stopt.
6. Endoplasmatisch reticulum: eenmaal bij het ER, bindt het SHM a
aan een SHM-receptor van het ER. Het ribosoomcomplex zelf ribosoom groot
hecht aan een ribosoomreceptor. Het ribosoomcomplex bevindt
zich nu precies boven een eiwitpoort van het ER. ribosoom klein
7. GTP: guanosinetrifosfaat (GTP) hecht aan de SHM-receptor 5'
waarna het door hydrolyse splitst in GDP en P i . Dit energierijk
molecuul ontkoppelt zo het SHM van de receptor waardoor de c d
translatie zich hervat. De polypeptideketen komt nu (via de b
eiwitpoort) in het ER. Het adreslabel wordt afgeknipt. ribosoom groot
8. Ontkoppelen: als het stopcodon is bereikt, wordt de
polypeptideketen ontkoppelt van het ribosoomcomplex. Het
1.0 translatie van mRNA
ribosoom komt los en valt weer in twee delen uit elkaar. De
eiwitpoort sluit.
9. Endoplasmatisch reticulum: de ruimtelijke structuur en andere
toevoegingen krijgt de keten in het ER. Via blaasjes, gemaakt van
het membraan van glad ER, worden de ketens vervoerd naar het
Golgi-systeem.
10. Golgi-systeem: in het Golgi-systeem worden nog andere
groepen toegevoegd en gewijzigd. Ook worden meerdere ketens
samengekoppeld tot één eiwit. Dit is de definitieve vorm. 1.1 GTP, bestaande uit (van links naar rechts)
drie fosfaatgroepen, ribose en de nucleobase guanine
11. Eindbestemming: nadat de eiwitten door het Golgi-systeem zijn
bewerkt, kunnen ze naar meerdere plaatsen gaan:
- buiten de cel (d.m.v. exocytose)
- lysosomen (in het cytoplasma)
- eiwitpoorten (fusie blaasjes met celmembraan)|
04