Psychological Science H13 – Personality
13.1 Waar komt personaliteit vandaan?
Psychologen definiëren persoonlijkheid als karakteristieke patronen van denken, gevoelens en
gedragingen van een persoon. Een persoonlijke eigenschap is een patroon van denken, emotie
en gedrag die redelijke consistent blijft in de loop van de tijd en gedurende verschillende
situaties. De laatste jaren is uit onderzoek gebleken dat biologische factoren, zoals genen,
hersenstructuur en neurochemie, een belangrijke rol spelen (40 tot 60%) bij het bepalen van
persoonlijkheid. Deze factoren worden tevens allemaal beïnvloed door opvoeding, omgeving en
ervaring. Daarbij moet gezegd worden dat de invloed van opvoeding niet groot is op de vorming
van persoonlijkheid. Dat wil overigens niet zeggen dat ouders onbelangrijk zijn, ze spelen
namelijk een erg belangrijke rol bij het uitkiezen van het milieu waarin hun kinderen worden
grootgebracht en waardoor hun persoonlijkheid wordt gevormd.
Het is moeilijk om de invloed van specifieke genen op persoonlijkheid te bepalen. Er zijn wel een
aantal verbanden gevonden tussen specifieke genen en karaktertrekken, maar vaak gaat het om
een combinatie van meerdere genen die karaktertrekken bepalen.
Temperamenten zijn biologisch gebaseerde neigingen om op een bepaalde manier te voelen of
te handelen. Temperamenten zijn duidelijk zichtbaar in de vroege kinderjaren en ze blijken te
kunnen bepalen welke karaktereigenschappen iemand ontwikkeld als hij of zij volwassen is.
Geslachtsverschillen zijn aanwezig bij temperament. Meisjes zijn over het algemeen beter in
staat om aandacht en impulsen te controleren. Jongens zijn over het algemeen actiever en halen
meer plezier uit lichamelijke activiteit.
De evolutietheorie stelt dat karaktereigenschappen die de kans op overleving en voortplanting
vergroten in het voordeel zijn. Door natuurlijke selectie zullen deze karaktereigenschappen
daarom steeds vaker voorkomen bij individuen.
Individuele verschillen in persoonlijkheid binnen een groep kunnen voordelig zijn voor de
overlevingskans van een groep. Want: de individuen vullen elkaar op deze manier aan. Een
andere theorie stelt daarom dat individuele verschillen ontstaan doordat individuen
persoonlijkheid/karaktereigenschappen aanpassen aan de
persoonlijkheid/karaktereigenschappen waar de groep behoefte aan heeft om de
overlevingskans te vergroten.
Onderzoek heeft aangetoond dat dieren fundamentele persoonlijkheidstrekken bezitten. Dit
suggereert dat sommige eigenschappen biologisch gebaseerd zijn.
13.2 Welke theorieën bestaan er rondom personaliteit?
Volgens Freuds psychodynamische benadering kan mentale activiteit bewust, voorbewust en
onbewust zijn, waarbij de onbewuste krachten voornamelijk bepalend zijn voor het gedrag dat
iemand vertoont. Freud stelde dat personaliteit bestaat uit drie structuren: de id, de superego
en de ego. De ego bemiddelt tussen de id en de superego, waarbij hij afweermechanismen
gebruikt om angsten te verminderen die worden veroorzaakt door conflicten tussen de id en de
superego. Verder stelde Freud dat mensen 5 stadia van psychoseksuele ontwikkeling doormaken
en dat deze stadia iemands persoonlijkheid vormen. In tegenstelling tot Freud, hebben anderen
psychologen zich geconcentreerd op relaties, en dan in het bijzonder op de emotionele
gehechtheid van kinderen aan hun ouders. Uitgaande op ervaringen en wetenschappelijk
onderzoek, is er weinig steun voor de theorieën van Freud.
13.1 Waar komt personaliteit vandaan?
Psychologen definiëren persoonlijkheid als karakteristieke patronen van denken, gevoelens en
gedragingen van een persoon. Een persoonlijke eigenschap is een patroon van denken, emotie
en gedrag die redelijke consistent blijft in de loop van de tijd en gedurende verschillende
situaties. De laatste jaren is uit onderzoek gebleken dat biologische factoren, zoals genen,
hersenstructuur en neurochemie, een belangrijke rol spelen (40 tot 60%) bij het bepalen van
persoonlijkheid. Deze factoren worden tevens allemaal beïnvloed door opvoeding, omgeving en
ervaring. Daarbij moet gezegd worden dat de invloed van opvoeding niet groot is op de vorming
van persoonlijkheid. Dat wil overigens niet zeggen dat ouders onbelangrijk zijn, ze spelen
namelijk een erg belangrijke rol bij het uitkiezen van het milieu waarin hun kinderen worden
grootgebracht en waardoor hun persoonlijkheid wordt gevormd.
Het is moeilijk om de invloed van specifieke genen op persoonlijkheid te bepalen. Er zijn wel een
aantal verbanden gevonden tussen specifieke genen en karaktertrekken, maar vaak gaat het om
een combinatie van meerdere genen die karaktertrekken bepalen.
Temperamenten zijn biologisch gebaseerde neigingen om op een bepaalde manier te voelen of
te handelen. Temperamenten zijn duidelijk zichtbaar in de vroege kinderjaren en ze blijken te
kunnen bepalen welke karaktereigenschappen iemand ontwikkeld als hij of zij volwassen is.
Geslachtsverschillen zijn aanwezig bij temperament. Meisjes zijn over het algemeen beter in
staat om aandacht en impulsen te controleren. Jongens zijn over het algemeen actiever en halen
meer plezier uit lichamelijke activiteit.
De evolutietheorie stelt dat karaktereigenschappen die de kans op overleving en voortplanting
vergroten in het voordeel zijn. Door natuurlijke selectie zullen deze karaktereigenschappen
daarom steeds vaker voorkomen bij individuen.
Individuele verschillen in persoonlijkheid binnen een groep kunnen voordelig zijn voor de
overlevingskans van een groep. Want: de individuen vullen elkaar op deze manier aan. Een
andere theorie stelt daarom dat individuele verschillen ontstaan doordat individuen
persoonlijkheid/karaktereigenschappen aanpassen aan de
persoonlijkheid/karaktereigenschappen waar de groep behoefte aan heeft om de
overlevingskans te vergroten.
Onderzoek heeft aangetoond dat dieren fundamentele persoonlijkheidstrekken bezitten. Dit
suggereert dat sommige eigenschappen biologisch gebaseerd zijn.
13.2 Welke theorieën bestaan er rondom personaliteit?
Volgens Freuds psychodynamische benadering kan mentale activiteit bewust, voorbewust en
onbewust zijn, waarbij de onbewuste krachten voornamelijk bepalend zijn voor het gedrag dat
iemand vertoont. Freud stelde dat personaliteit bestaat uit drie structuren: de id, de superego
en de ego. De ego bemiddelt tussen de id en de superego, waarbij hij afweermechanismen
gebruikt om angsten te verminderen die worden veroorzaakt door conflicten tussen de id en de
superego. Verder stelde Freud dat mensen 5 stadia van psychoseksuele ontwikkeling doormaken
en dat deze stadia iemands persoonlijkheid vormen. In tegenstelling tot Freud, hebben anderen
psychologen zich geconcentreerd op relaties, en dan in het bijzonder op de emotionele
gehechtheid van kinderen aan hun ouders. Uitgaande op ervaringen en wetenschappelijk
onderzoek, is er weinig steun voor de theorieën van Freud.