Ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie gaat uit van een multidisciplinaire benadering, focust op voorspelbare
ontwikkelingsmijlpalen, exploreert de impact van normatieve en niet normatieve levensveranderingen
en praktijken en houd rekening met individuele verschillen.
De normatieve ontwikkeling slaat terug op wat wanneer gemiddeld wordt ontwikkeld, dus gemiddeld
kunnen kinderen van 12 maanden lopen. Kijkt ook of de ontwikkeling continue of discontinue (met
sprongetjes) verloopt.
Daarnaast wordt er gekeken naar de impact van transities zowel normatief (overgang middelbare
school, kinderen krijgen, pensioen) als non-normatief (scheiding, overlijden kind, werk verliezen).
Daarnaast maakt het uit waar en wanneer je opgroeit, vroeger was er bijvoorbeeld geen leerplicht,
hierdoor is de ontwikkeling van een kind uit die tijd verschillend dan bijvoorbeeld onze ontwikkeling.
Ontwikkelingsfasen en cohorten = mensen van dezelfde generatie
- Quarter life crisis= twijfels over de toekomst, het maken van levensbepalende beslissingen en
op zoek naar zingeving (kan optreden tussen 25-35 jaar)
Mogelijke factoren die hierbij een rol spelen zijn:
- Vrijheid om te kiezen wat je wil
- Social media
- Economische crisis; weinig vaste banen, meer flexibele arbeidsmarkt, studieschuld, pensioen
Individuele verschillen in levensloop, de factoren die hierin een rol spelen zijn;
- Beschermende factoren (BV intelligentie, veilige stimulerende omgeving, goed vrienden)
- Risicofactoren (BV moeilijk temperament, mishandeling, drugs, scheiding)
Waar komen deze verschillen vandaan? nurture nature debat. Nurture gaat ervan uit dat dingen
kunnen worden aangeleerd net zoals bij het traditioneel behaviorisme van watson en skinner of de
sociaal-cognitieve leertheorie van bandura; die beweert dat mensen leren door modeling (anderen
nadoen). Nature gaat uit van dat dingen aangeboren zijn, zoals bijvoorbeeld de basale expressies van
emoties die kinderen al vertonen.
Nature – nurture debat gaat eigenlijk over het effect van de genen op de omgeving of andersom.
- Passief = aangeboren eigenschappen van ouders creeëren een bepaalde omgeving.
- Evocatief = aangeboren eigenschappen van kind lokken reacties uit in omgeving
- Actief = door aangeboren eigenschappen kiezen we een andere omgeving
Person-environment fit = afstemming van omgeving op de aangeboren kenmerken en talenten, dus
een interactie tussen nature en nurture.
Epigenetica = genexpressie kan veranderd worden door omgevingsinvloeden.
,Microsysteem is directe omgeving van het kind. Mesosysteem zijn de interacties tussen
microsystemen dus bijvoorbeeld connectie tussen gezin en klas. Exosysteem is de indirecte omgeving
zoals familie, school, gemeente, media etc. Macro systeem is meer op het gebied van de
samenleving; cultuur, politiek, religie. Chronosysteem gaat over de veranderingen over tijd.
Onderzoeksmethoden’;
- Observatie van gedrag
- Zelf-rapportage
- Rapportage door proxy (ouder/leerkracht)
- Testen
- Correlationeel onderzoek (samenhang A-B, geen causaliteit)
- Experimenteel onderzoek (AB, meer causaliteit maar soms onmogelijk/onetisch)
- Cross-sectioneel = een meting bij mensen van verschillende leeftijden
- Longitudinaal = meerdere metingen over de tijd bij dezelfde mensen
, Hoorcollege 2 Ontwikkelingsleer 13-04-2018
Ontwikkelingsleer; prenatale ontwikkeling
Prenatale ontwikkeling is de basis voor verdere ontwikkeling en in deze tijd vind de snelste groei van
het lichaam en brein plaats.
De bevruchting vind meestal plaats rond de ovulatie en gebeurt door de samensmelting van 1 eicel en
1 zaadcel. Bij de samensmelting van plasma krijg je een verharding van de buitenste laag eicel (zona
pellucida) die een blokkade vormt voor andere zaadcellen.
- Geslachtscel: haploid (23 chromosomen)
- Zygote (bevruchte eicel): diploid (46 chromosomen)
Tweeling:
- Eeneiige (monozygote) tweeling:
o 1 eicel, 1 zaadcel
o Splitsing tijdens celdeling in eerste dagen na bevruchting
o Zelfde genen en zelfde sekse
- Twee-eiige (dizygote) tweeling:
o 2 eicellen, 2 zaadcellen
o 50% zelfde sekse
- Siamese tweeling
o Eeneiige tweeling die deels met elkaar vergroeid is.
Chromosomen:
- 22 autosomale chromosomen
- 23e chromosoom is het geslachtshormoon
- Vader: X Y
- Moeder X
- 20% meer XY Zygotes
- 5% meer XY geboortes
XXY is een chromosomale afwijking die ook wel het Klinefelter syndroom wordt genoemd en komt
alleen voor bij mannen. Hierbij hebben mannen lange lichaamslengte en lange armen en benen alleen
een laag testosterongehalte wat resulteert in vruchtbaarheidsproblemen of onvruchtbaarheid. Komt
voor bij 1 op de 700 mannen, mensen met XXY hebben een normaal IQ (XXXY of XXXXY is lager IQ).
X is een chromosomale afwijking die ook wel het Turner syndroom heet en komt alleen voor bij
vrouwen. Hierbij hebben vrouwen korte lichaamslengte en korte armen en benen. Daarnaast hebben
zij een laag oestrogeen niveau wat resulteert in vruchtbaarheidsproblemen of onvruchtbaarheid. Komt
voor bij 1 op de 2500 vrouwen en hebben een normaal IQ.
Om deze chromosomale afwijkingen op te sporen wordt er een prenatale screening gedaan:
1. Combinatietest (11-14 weken) = bloedonderzoek + nekplooimeting
2. NIPT (vanaf 11 weken) = bloedonderzoek
Het risico op chromosomale afwijkingen stijgt met de leeftijd van de moeder.
Ook heb je nog trisomie = down syndroom door een derde chromosoom op chromosoom 21. Deze
beperking wordt gekenmerkt door een verstandelijke beperking waarbij het IQ tussen de 35-70 ligt.
Typische gezichtskenmerken en korte lichaamslengte. Prevalentie in Nederland is 15 op 10.000
geboortes. Levensverwachting is rond de 50-60 jaar en op latere leeftijd hebben zij een verhoogd
risico op Alzheimer’s Dementie.
Ontwikkelingsfasen tijdens de zwangerschap:
- Germinale fase (0-2 eken)
o Zygote deelt zich en verplaatst naar de baarmoeder
o Ontstaan van blastocyste = gelaagde celmassa met holte
o Nesteling in de baarmoederwand
o Daarna wordt de buitenste laag van blastocyste verwijderd
, o Innesteling in baarmoederwand
o Gastrulatie = vorming van 3 cellagen
- Embryonale fase (3-8 weken)
o In week 3 t/m 4 worden de organen gevormd (waaronder hart)
o Neurale buis (basis zenuwstelsel) ook wel neurulatie = vorming neurale buis
o Ontstaan van 3 cellagen
Ectoderm (ecto = buiten): basis voor buitenlaag (huid etc) en centraal
zenuwstelse
Mesoderm (meso = midden) basis voor skelet en spieren
Endoderm (endo = binnen) basis voor interne organen
o Neurale plaat neurale groef neurale buis. De sluiting van de buis vindt plaats
rond dag 28 (4 weken). Als er problemen zijn met het sluiten van de neurale buis kan
dat resulteren in een spina bifida (open ruggetje). Dit kan voorkomen worden doordat
de moeder foliumzuur neemt tijdens zwangerschap.
Eigenlijk wordt er uit gegaan van 3 principes in de ontwikkeling:
1. Proximodistale volgorde (van binnen naar buiten)
2. Cephalocaudale volgorde (van boven naar onder) denk maar aan cephalo hoofd en
caudaal staart
3. Massa naar specifiek (van grof naar gedetailleerd)
- Foetale fase (9-40 weken)
o Verdere ontwikkeling van het brein
o Vorming van hersenkronkels
o Levensvatbaarheid ligt rond de 22-23 weken
Omgeving en ontwikkeling; welk effect heeft de omgeving op de prenatale ontwikkeling? Bijvoorbeeld
tijdens de hongernood moeder zorgde voor kind die ingesteld is op weinig voeding en daardoor later
kans had op hart en vaatziekte, overgewicht suikerziekte en psychische problemen.
Teratogenen zijn producten die een schadelijke invloed kunnen hebben op het ongeboren kind:
- Alcohol (fetal alcohol syndrom FAS), nicotine (BV externaliserende gedragsstoornis),
medicijnen en drugs
- Meest schadelijk in embryonale fase
- Ook in 2e en 3e trimester negatieve invloed op hersenontwikkeling
- Dose afhankelijk (more = more inpact)
- Individuele verschillen in het effect van teratogenen.