De tijden van ‘to be’
1. Tegenwoordige tijd(present tense)
Enkelvoud.
1e persoon: I am
2de persoon: you are
3de persoon: he/she/it is
Meervoud:
1e persoon: we are
2de persoon: you are
3de persoon: they are
2. de verleden tijd
I was
You were
He/she/it was
We were
You were
They were
3. de toekomende tijd
i will/would be
you will/would be
he/she/it will/would be
we will/would be
you will/would be
they will/would be
4. liggen/staan/zitten
waar ligt de catalogus? Where is the catalogue?
Waar staat het kopierapparaat? Where is the copier?
De drugs zaten in de container. The drugs were in the container.
5. Korte vormen.
I’m = am
You’re are
He’s= is
You aren’t = are not
It isn’t = is not
It wasn’t = it was not
They weren’ t = were not
We’ll be = will be
We won’t be = will not be
, spelling
Na een medeklinker veranderd de y in ie.
Het meervoud heeft een vaste S(2)
2. verdubbeling slotmedeklinker
de slotmedeklinker word verdubbeld als de laatste lettergreep de klemtoon heeft en er
maar 1 klinker in staat.
Aardrijkskundige namen hebben geen koppelteken
Maanden en dagen met een hoofdletter
Full/ful/til/untill.
Full word met dubbele l geschreven. In samenstelling 1
Woordvolgorde:
Woorden van onbepaalde tijd geven aan hoe vaak iets gebeurt. Meest voorkomende zijn:
always,never,often,sometimes,still,usually,rarely(zelden)
Ze staan:
-vlak voor het werkwoord
-als eer meer werkwoorden in staan na het eerste werkwoord
-na een vorm van to be
-in een vraagzin
2. woorden van bepaalde tijd
woorden van bepaalde tijd geven aan wanneer iets gebeurt. Bijvoorbeeld :
yesterday,next year,two days ago. Aan het eind of aan het begin van de zin.
Als er een aanduiding van verleden tijd staat aangegeven moet je verleden tijd
gebruiken.
Als er een aanduiding van tegenwoordige tijd word gebruikt moet je tegenwoordige tijd
gebruiken.
Woorden van waar iets gebeurt moeten altijd achteraan. Maar eerst plaats en dan de tijd
bijvoorbeeld at a fair last month
1. Tegenwoordige tijd(present tense)
Enkelvoud.
1e persoon: I am
2de persoon: you are
3de persoon: he/she/it is
Meervoud:
1e persoon: we are
2de persoon: you are
3de persoon: they are
2. de verleden tijd
I was
You were
He/she/it was
We were
You were
They were
3. de toekomende tijd
i will/would be
you will/would be
he/she/it will/would be
we will/would be
you will/would be
they will/would be
4. liggen/staan/zitten
waar ligt de catalogus? Where is the catalogue?
Waar staat het kopierapparaat? Where is the copier?
De drugs zaten in de container. The drugs were in the container.
5. Korte vormen.
I’m = am
You’re are
He’s= is
You aren’t = are not
It isn’t = is not
It wasn’t = it was not
They weren’ t = were not
We’ll be = will be
We won’t be = will not be
, spelling
Na een medeklinker veranderd de y in ie.
Het meervoud heeft een vaste S(2)
2. verdubbeling slotmedeklinker
de slotmedeklinker word verdubbeld als de laatste lettergreep de klemtoon heeft en er
maar 1 klinker in staat.
Aardrijkskundige namen hebben geen koppelteken
Maanden en dagen met een hoofdletter
Full/ful/til/untill.
Full word met dubbele l geschreven. In samenstelling 1
Woordvolgorde:
Woorden van onbepaalde tijd geven aan hoe vaak iets gebeurt. Meest voorkomende zijn:
always,never,often,sometimes,still,usually,rarely(zelden)
Ze staan:
-vlak voor het werkwoord
-als eer meer werkwoorden in staan na het eerste werkwoord
-na een vorm van to be
-in een vraagzin
2. woorden van bepaalde tijd
woorden van bepaalde tijd geven aan wanneer iets gebeurt. Bijvoorbeeld :
yesterday,next year,two days ago. Aan het eind of aan het begin van de zin.
Als er een aanduiding van verleden tijd staat aangegeven moet je verleden tijd
gebruiken.
Als er een aanduiding van tegenwoordige tijd word gebruikt moet je tegenwoordige tijd
gebruiken.
Woorden van waar iets gebeurt moeten altijd achteraan. Maar eerst plaats en dan de tijd
bijvoorbeeld at a fair last month