WEEK 1: Praktijkagenda
Leerdoelen:
1. De student kan de vier kenmerken van methodisch handelen in het eigen handelen 3
week 1 benoemen (OAC 4 thema 3 week 1)
2. Kan het verschil benoemen tussen screening en diagnosticeren (OAC 4 thema 3 week 2).
3. De student kan het model van Cott beschrijven. (AOC 4 thema 4 wk 1).
4. De student kan de inhoud van de fysiotherapeutische diagnose benoemen (AOC 4 thema
4 wk 2).
1): 4 kenmerken van methodisch handelen in het eigen handelen:
➢ Methodisch handelen:
1. Doelgericht;
2. Bewust
3. Systematisch
4. Procesmatig.
➢ Doelgericht:
• Hulpverlener laat zich leiden door het doel dat hij wil bereiken;
• Hij/zij laat zich leiden door concrete voorstelling van het resultaat van zijn/haar
handelen
➢ Bewust:
• FT is zich ervan bewust:
o Dat oordelen van PT & FT gebaseerd zijn op verschillende waarden & normen;
o PT, FT & verwijzer verschillende ideeën hebben over bedoeling van de FT –
behandeling;
• FT respecteert deze zonder zichzelf geweld aan te doen
• FT neemt zijn besluiten bewust op basis van best practice overwegingen:
o Best evidence
o Clinical expertise
o Patiënt values → Zijn steeds belangrijker. Niet alleen pt opleggen wat FT wil.
➢ Systematisch:
• Logische ordening v/d te nemen stappen gerelateerd aan de doelen;
• FT gebruikt regels & werkwijzen.
➢ Procesmatig:
• FT handelt procesmatig als:
o FT volgens bepaalde ontwikkelingsgang handelt;
o FT in staat is om van hulpverleningsproces een dynamisch gebeuren te maken.
• FT gebruikt uitkomsten/gegevens uit voorgaande fase + taxaties van het toekomstig
verloop voor het bepalen v/d te nemen stappen.
1
,2): De 4 strategieën voor probleemoplossing: + 3): Voordelen + nadelen ervan:
Strategieën voor probleemoplossing is een belangrijke voorwaarde om een probleem op
efficiënte wijze op te lossen.
➢ Hypothetico – deductieve benadering:
Hypotheses stel je in begin zo breed mogelijk op (trechter zo breed maken dat er veel ballen
uit komen)
❖ Hypothetico – deductieve benadering = Hypothesen opstellen over alle
grondmotorische eigenschappen die je kan behandelen.
Na aanmelding stel je initiële hypotheses [= Lokalisatie + GME]
- Stabiliteit;
- Kracht;
- Lenigheid/mobiliteit
➢ Patroonherkenning:
Een probleem op basis van eerdere ervaring + kennis wordt herkend. Hiervoor is kennis +
ervaring nodig. Wordt vooral door ervaren FT gebruikt bij oplossen van problemen.
Nadeel → Gevaar van deze werkwijze is, dat alleen die verschijnselen worden herkend die
passen in het bekend veronderstelde probleem + dat verschijnselen die hiermee in strijd zijn
over het hoofd worden gezien.
Elke FT zal moeten toetsten of zijn patroonherkenning correct is.
VB: ‘’Ik heb het al gezien mw, dit heb ik vaker meegemaakt. Mijn vorige PT had precies
hetzelfde, u heeft een ontsteking aan bicepspees’’
➢ Algoritme/beslisboom:
Stel gerichte gesloten vragen → trek je conclusie uit. Nadeel → tunnelvisie;
❖ Algoritme-/beslisboomstrategie = FT tot juiste conclusie/diagnose komt door het
volgend van diagnostisch proces waarbij verschillende wegen vooraf zijn aangegeven.
❖ Algoritme = Gedetailleerde beslisboom → kan helpen bij besluitvorming door FT VB:
Beslisboom fitheidstesten thema 1.
❖ Beslisboom = Bestaat uit een eerste vraagstelling, gevolgd door stappen als: ja/nee,
dan verder met stap x, zo ja, dan verder met stap y.
➢ Verzamelmethode:
Veel informatie verzamelen → alle open vragen stellen die je kan bedenken.
Nadeel → Kost veel tijd + onnodige informatie kan je verkrijgen.
2
,3): Verschil tussen screening & diagnosticeren:
SCREENING:
➢ Screeningsproces → Proces dat FT leidt tot de beslissing of verder fysiotherapeutisch
onderzoek geïndiceerd is. D.m.v. gerichte anamnese, eventueel aangevuld met
lichamelijk onderzoek → DTF: Directe toegang fysiotherapie → geen verwijzing van
HA/andere specialist.
➢ FT dient alert te zijn voor eventuele algemene rode vlaggen [Biomedische factoren]:
• Koorts;
• Algehele malaise;
• Onverklaarbare gewichtsverlies;
• Toenemende pijn en/of klachten volgens afwijkend beloop;
• Nachtelijke pijn;
• Continue pijn onafhankelijk van beweging/houding.
Eventuele rode vlaggen kunnen wijzen op onderliggende nevenpathologie.
➢ Screeningsproces:
1. Aanmelding;
FT informeert PT over screeningsproces
2. Inventarisatie hulpvraag;
Ft vraagt daartoe naar belangrijke klachten/problemen in functioneren + doelstellingen
& verwachtingen v/d PT.
3. Screening ‘’pluis/niet pluis’’
Zie hieronder:
4. Informeren & adviseren.
Als FT tot conclusie niet – pluis komt, adviseert FT aan PT om contact op te nemen
met HA.
➢ Pluis/niet – pluis:
1. Bekend patroon → Pluis
2. Niet bekend patroon → Niet pluis
3. Bekend patroon, 1/meerdere afwijkende symptomen→ Niet pluis
4. Bekend patroon, afwijkend beloop → Niet – pluis
5. Aanwezigheid van 1/meerdere rode vlaggen → Niet – pluis
DIAGNOSTICERING:
PT wordt komt binnen met verwijzing door HA.
➢ Diagnostisch proces:
1. Aanvullende anamnese
2. Aanvullend onderzoek;
3. Analyse.
3
, 4) Model van Cott:
Movement Continuum (Cott)
Centraal in het onderzoek:
- Preferred movement capacity;
- Current movement capacity
- Maximal achievable movement potential
4