Hoofdstuk 8 Overeenkomstenrecht
1.
Het grootste deel van de overeenkomsten zijn obligatoire overeenkomsten. In
art. 6:213 BW staat omschreven wat een obligatoire overeenkomst inhoudt: een
meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen tegenover een of meer
andere een verbintenis aangaan. Er worden een aantal soorten overeenkomsten
onderscheiden:
• Overeenkomsten waarbij twee verbintenissen bestaan, die voor beide
partijen
verplichtingen inhouden worden wederkerige overeenkomsten
genoemd. Bv. Een koopovereenkomst, huurovereenkomst of
arbeidsovereenkomst.
• Er zijn ook overeenkomsten waarbij slechts één verbintenis bestaat, er
is dus maar één verplichting. Dit worden eenzijdige overeenkomsten
genoemd. Bv. een schenkingsovereenkomst.
• Overeenkomsten die in de wet geregeld zijn worden benoemde
overeenkomsten genoemd. Bv. koop, arbeid, pacht.
• Overeenkomsten die niet in de wet geregeld zijn worden onbenoemde
overeenkomsten genoemd. Bv. pension, lease.
• Als een overeenkomst geldig is zodra er overeenstemming (consensus)
is bereikt door beide partijen dan noemen we dat een consensuele
overeenkomst. Hierbij is geen schriftelijk bewijs noodzakelijk. Bv.
koop.
• Formele overeenkomsten gelden pas als aan een bepaald
vormvereiste is voldaan. Dat is meestal een schriftelijke akte. Bv.
huurkoop of schenking.
2.
Een overeenkomst komt tot stand als de ene partij een aanbod van de andere
partij aanvaardt. Als er wilsovereenstemming is, kan de overeenkomst tot stand
komen. Beide partijen moeten hun aanbod en aanvaarding duidelijk kenbaar
maken. Bij de totstandkoming van de overeenkomst kunnen een aantal
problemen voorkomen: Het kan zijn dat de aanbieder iets anders verklaart dan
hij werkelijk wil, hij wekt een verkeerde schijn op. Er kan een misverstand in het
spel zijn of een verschillende interpretatie, het kan ook zijn dat de aanbieder op
het moment van het aanbod lijdt aan een geestelijke stoornis. Als in zo’n geval
de aanvaarder akkoord gaat met dat aanbod, zonder dat hij vermoedt of kan
vermoeden dat wil en verklaring niet met elkaar overeenstemmen, kan de
overeenkomst niet meer aangevochten worden. Dat de aanvaarder wordt
beschermd wordt de vertrouwensleer genoemd, deze heeft de HR voor het
eerst uitgesproken in het Eelman-Hin arrest.
Een overeenkomst kan wel worden vernietigd als wil en verklaring wel met elkaar
overeenstemmen, maar de wil gebrekkig tot stand is gekomen. Er zijn vier
verschillende
soorten wilsgebreken:
1. Dwaling. Hiervoor is vereist dat iemand zich heeft vergist, hij heeft
gedwaald. Verder moet vastgesteld zijn dat zonder die dwaling de
overeenkomst niet aangegaan was. Als derde vereiste geldt dat alleen bij
de in art. 6:228 BW omschreven gevallen een beroep op dwaling kan
worden gedaan. Die gevallen zijn:
• Als de verkeerde weergave van een essentiële eigenschap te wijten is
aan een
1.
Het grootste deel van de overeenkomsten zijn obligatoire overeenkomsten. In
art. 6:213 BW staat omschreven wat een obligatoire overeenkomst inhoudt: een
meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen tegenover een of meer
andere een verbintenis aangaan. Er worden een aantal soorten overeenkomsten
onderscheiden:
• Overeenkomsten waarbij twee verbintenissen bestaan, die voor beide
partijen
verplichtingen inhouden worden wederkerige overeenkomsten
genoemd. Bv. Een koopovereenkomst, huurovereenkomst of
arbeidsovereenkomst.
• Er zijn ook overeenkomsten waarbij slechts één verbintenis bestaat, er
is dus maar één verplichting. Dit worden eenzijdige overeenkomsten
genoemd. Bv. een schenkingsovereenkomst.
• Overeenkomsten die in de wet geregeld zijn worden benoemde
overeenkomsten genoemd. Bv. koop, arbeid, pacht.
• Overeenkomsten die niet in de wet geregeld zijn worden onbenoemde
overeenkomsten genoemd. Bv. pension, lease.
• Als een overeenkomst geldig is zodra er overeenstemming (consensus)
is bereikt door beide partijen dan noemen we dat een consensuele
overeenkomst. Hierbij is geen schriftelijk bewijs noodzakelijk. Bv.
koop.
• Formele overeenkomsten gelden pas als aan een bepaald
vormvereiste is voldaan. Dat is meestal een schriftelijke akte. Bv.
huurkoop of schenking.
2.
Een overeenkomst komt tot stand als de ene partij een aanbod van de andere
partij aanvaardt. Als er wilsovereenstemming is, kan de overeenkomst tot stand
komen. Beide partijen moeten hun aanbod en aanvaarding duidelijk kenbaar
maken. Bij de totstandkoming van de overeenkomst kunnen een aantal
problemen voorkomen: Het kan zijn dat de aanbieder iets anders verklaart dan
hij werkelijk wil, hij wekt een verkeerde schijn op. Er kan een misverstand in het
spel zijn of een verschillende interpretatie, het kan ook zijn dat de aanbieder op
het moment van het aanbod lijdt aan een geestelijke stoornis. Als in zo’n geval
de aanvaarder akkoord gaat met dat aanbod, zonder dat hij vermoedt of kan
vermoeden dat wil en verklaring niet met elkaar overeenstemmen, kan de
overeenkomst niet meer aangevochten worden. Dat de aanvaarder wordt
beschermd wordt de vertrouwensleer genoemd, deze heeft de HR voor het
eerst uitgesproken in het Eelman-Hin arrest.
Een overeenkomst kan wel worden vernietigd als wil en verklaring wel met elkaar
overeenstemmen, maar de wil gebrekkig tot stand is gekomen. Er zijn vier
verschillende
soorten wilsgebreken:
1. Dwaling. Hiervoor is vereist dat iemand zich heeft vergist, hij heeft
gedwaald. Verder moet vastgesteld zijn dat zonder die dwaling de
overeenkomst niet aangegaan was. Als derde vereiste geldt dat alleen bij
de in art. 6:228 BW omschreven gevallen een beroep op dwaling kan
worden gedaan. Die gevallen zijn:
• Als de verkeerde weergave van een essentiële eigenschap te wijten is
aan een