H15 15 tm 15.1.3 De cognitieve ontwikkeling in de volwassenheid
Een van de belangrijkste veranderingen van de kindertijd naar de volwassenheid is dat het vermogen
als je adolescent bent meer is en dat je VOORUIT kan kijken bij situaties.
Formeel-operationeel stadium: Het stadium waarin mensen het vermogen ontwikkelen om abstract
te denken. Volgens Piaget bereiken kinderen dit ongeveer begin hun 12 e jaar.
Formeel = communicatie
Hypothetisch-deductief redeneren: Hierbij beginnen ze met een algemene theorie over datgene wat
een bepaald resultaat oplevert.
Propositioneel denken: gebruik maken van abstracte logica in de afwezigheid van concrete
voorbeelden. VB: vooraf denken. Bedenken om een paraplu alvast mee te nemen.
Syllogisme: Een conclusie juist moet zijn op het moment dat bepaalde vooronderstellingen juist zijn.
Tijdens de volwassenheid periode wordt de geheugencapaciteit meer, adolescenten weten hun
aandacht beter te verdelen en kunnen meer stimuli tegelijk verdragen. VB Leren met muziek aan.
Metacognitie: De kennis die mensen hebben van hun eigen denkprocessen en het vermogen om hun
eigen cognitie te monitoren. Bij metacognitie kan het een nadeel zijn dat je jezelf meer bewust wordt
van dingen en jezelf terugtrekt.
Egocentrisch: alleen maar bezig zijn met jezelf.
Imaginair publiek: fictieve toeschouwers die net zoveel aandacht aan het gedrag van de adolescent
besteden als hijzelf.
Persoonlijke fabel: Overtuiging van sommige adolescenten dat wat er met hen gebeurd uniek en
bijzonder is en niemand anders overkomt.
Het egocentrisme van adolescenten leidt ertoe dat ze persoonlijke fabels creëren.
VB: denken dat het dragen van een condoom bij het vrijen niet hoeft. We worden toch niet zwanger
of het overkomt ons toch niet dat we een soa oplopen.
Een van de belangrijkste veranderingen van de kindertijd naar de volwassenheid is dat het vermogen
als je adolescent bent meer is en dat je VOORUIT kan kijken bij situaties.
Formeel-operationeel stadium: Het stadium waarin mensen het vermogen ontwikkelen om abstract
te denken. Volgens Piaget bereiken kinderen dit ongeveer begin hun 12 e jaar.
Formeel = communicatie
Hypothetisch-deductief redeneren: Hierbij beginnen ze met een algemene theorie over datgene wat
een bepaald resultaat oplevert.
Propositioneel denken: gebruik maken van abstracte logica in de afwezigheid van concrete
voorbeelden. VB: vooraf denken. Bedenken om een paraplu alvast mee te nemen.
Syllogisme: Een conclusie juist moet zijn op het moment dat bepaalde vooronderstellingen juist zijn.
Tijdens de volwassenheid periode wordt de geheugencapaciteit meer, adolescenten weten hun
aandacht beter te verdelen en kunnen meer stimuli tegelijk verdragen. VB Leren met muziek aan.
Metacognitie: De kennis die mensen hebben van hun eigen denkprocessen en het vermogen om hun
eigen cognitie te monitoren. Bij metacognitie kan het een nadeel zijn dat je jezelf meer bewust wordt
van dingen en jezelf terugtrekt.
Egocentrisch: alleen maar bezig zijn met jezelf.
Imaginair publiek: fictieve toeschouwers die net zoveel aandacht aan het gedrag van de adolescent
besteden als hijzelf.
Persoonlijke fabel: Overtuiging van sommige adolescenten dat wat er met hen gebeurd uniek en
bijzonder is en niemand anders overkomt.
Het egocentrisme van adolescenten leidt ertoe dat ze persoonlijke fabels creëren.
VB: denken dat het dragen van een condoom bij het vrijen niet hoeft. We worden toch niet zwanger
of het overkomt ons toch niet dat we een soa oplopen.