De persoonlijkheidsontwikkeling in de peuter/kleutertijd H 10 10 tm 10.2
Psychosociale ontwikkeling: de veranderingen hoe we aankijken tegen onszelf, tegen de betekenis van het gedrag
van anderen en tegen ons eigen gedrag.
Stadium van autonomie VS schaamte-twijfel: De periode waarin zelfstandigheid en autonomie zich ontwikkelen
(18mnd – 3 jaar) en ouders hun verkenningstocht stimuleren.
Stadium Initiatief VS schuldgevoel: De periode waarin kinderen te maken krijgen met conflicten tussen verlangens
en het opereren van hun ouders hierin. (3 tot 6 jaar oud) Kinderen willen onafhankelijk zijn van hun ouders.
Zelfbeeld: iemands identiteit of de opvattingen die hij van zichzelf als persoon heeft.
Individualistische oriëntatie: filosofie waarin de nadruk ligt op je eigen als persoon.
Collectivistische oriëntatie: filosofie waarin de nadruk ligt op onderlinge afhankelijkheid.
Gendertijd: in de peuter/kleutertijd speelt het geslacht en gender al een belangrijke rol. Jongens spelen liever met
jongens en meisjes liever met meisjes.
De eigenschappen van beide seksen zijn ook anders: Vrouw: lief, schattig, zacht. Man: stoer, hard
Gender heeft betrekking op: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn.
Sekse en geslacht hebben betrekking op de fysieke kenmerken van een man of vrouw.
Biologisch kenmerk hiervan is: Hormonen
Psychoanalytische theorie:
Identificatie: het proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ander van dezelfde sekse.
Oedipuscomplex: (rond 5 jaar) seksuele onbewuste belangstelling voor de moeder. Vader is rivaal.
Vader is hoofd van het gezin, kind onderdrukt deze gevoelens door angst castratieangst.
Elektracomplex: onbewust seksueel aangetrokken door papa. Meisjes identificeren zich met mama hierdoor.
Sociale leertheorie:
Volgens deze theorie leren kinderen gender gerelateerd gedrag door te observeren van anderen.
Cognitieve leertheorie:
Het verlangen om een duidelijke identiteit te ontwikkelen tot gevolg dat kinderen een genderidentiteit ontwikkelen.
Genderidentiteit: de perceptie van het zelf als mannelijk en vrouwelijk.
Genderschema: een cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevante informatie wordt geordend.
Genderconstantie: het feit dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste biologische
factoren.
SPEL:
Functioneel spel: Spelvorm die bestaat uit eenvoudige herhalende activiteiten.
Psychosociale ontwikkeling: de veranderingen hoe we aankijken tegen onszelf, tegen de betekenis van het gedrag
van anderen en tegen ons eigen gedrag.
Stadium van autonomie VS schaamte-twijfel: De periode waarin zelfstandigheid en autonomie zich ontwikkelen
(18mnd – 3 jaar) en ouders hun verkenningstocht stimuleren.
Stadium Initiatief VS schuldgevoel: De periode waarin kinderen te maken krijgen met conflicten tussen verlangens
en het opereren van hun ouders hierin. (3 tot 6 jaar oud) Kinderen willen onafhankelijk zijn van hun ouders.
Zelfbeeld: iemands identiteit of de opvattingen die hij van zichzelf als persoon heeft.
Individualistische oriëntatie: filosofie waarin de nadruk ligt op je eigen als persoon.
Collectivistische oriëntatie: filosofie waarin de nadruk ligt op onderlinge afhankelijkheid.
Gendertijd: in de peuter/kleutertijd speelt het geslacht en gender al een belangrijke rol. Jongens spelen liever met
jongens en meisjes liever met meisjes.
De eigenschappen van beide seksen zijn ook anders: Vrouw: lief, schattig, zacht. Man: stoer, hard
Gender heeft betrekking op: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn.
Sekse en geslacht hebben betrekking op de fysieke kenmerken van een man of vrouw.
Biologisch kenmerk hiervan is: Hormonen
Psychoanalytische theorie:
Identificatie: het proces waarbij kinderen proberen gelijk te zijn aan de ander van dezelfde sekse.
Oedipuscomplex: (rond 5 jaar) seksuele onbewuste belangstelling voor de moeder. Vader is rivaal.
Vader is hoofd van het gezin, kind onderdrukt deze gevoelens door angst castratieangst.
Elektracomplex: onbewust seksueel aangetrokken door papa. Meisjes identificeren zich met mama hierdoor.
Sociale leertheorie:
Volgens deze theorie leren kinderen gender gerelateerd gedrag door te observeren van anderen.
Cognitieve leertheorie:
Het verlangen om een duidelijke identiteit te ontwikkelen tot gevolg dat kinderen een genderidentiteit ontwikkelen.
Genderidentiteit: de perceptie van het zelf als mannelijk en vrouwelijk.
Genderschema: een cognitief raamwerk waarbinnen genderrelevante informatie wordt geordend.
Genderconstantie: het feit dat mensen permanent mannelijk of vrouwelijk zijn als gevolg van vaste biologische
factoren.
SPEL:
Functioneel spel: Spelvorm die bestaat uit eenvoudige herhalende activiteiten.