De intellectuele ontwikkeling 9 tm 9.1 peuter kleutertijd Preoperationeel stadium Paiget:
1. Sensomotorische stadium (0-2 jaar) hoofdstuk 6
2. Preoperationle stadium (2-7jaar) De intellectuele ontwikkeling
Preoperationeel stadium Paiget: 2-7 jaar, waarin het gebruik van symbolisch denken groeit,
het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van begrippen toeneemt.
VB: kind dat zijn rokenede oom nadoet. Met een pen of krijtje. Zelfs als zijn oom net
wegloopt uit het zicht. Imitatie!
Operaties: Georganiseerde formele logische mentale processen.
Symboolgebruik: Het gebruiken van symbolen plaatsjes om iets begrijpelijk te maken.
PECS is een v:eelgebruikt systeem hiervoor.
Centratie: het onvermogen van kinderen om zich op meer dan 1 aspect van een prikkel te
kunnen consenteren. WAT JE ZIET IS WAT JE DENKT!
Centratie
Conservatie
Conservatie: het inzicht dat kwantiteit niet
gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke verschijningsvormen van objecten. LEREN
DAT UITERLIJKE SCHIJN BEDRIEGT.
Transformatie: het proces waarbij de ene toestand verandert in de andere.
Egocentrisme: het onvermogen om zicht te verplaatsen in anderen. Kinderen van deze
leeftijd hebben het inlevingsvermogen in een ander nog niet ontwikkeld. Ze denken en doen
alleen via eigen handelen.
Intuïtief denken: een vorm van denken waarbij peuters/kleuters gretig kennis over de
wereld verwerven en primitief redeneren. (Vaak ook niet kloppende verhalen.)
Functionaliteit: houdt in dat acties, gebeurtenissen en resultaten volgens vaste patronen
aan elkaar gerelateerd worden.
Identiteit: het besef dat bepaalde dingen hetzelfde blijft ongeacht veranderingen in vorm
omvang of uiterlijk.
VB: kind kan begrijpen dat een stuk klei evenveel klei bevat als je andere vormen van maakt.
Autobiografisch geheugen: de herinnering aan specifieke gebeurtenissen uit ons eigen
leven.
Script: een algemene weergave in het geheugen van gebeurtenissen en de volgorde ervan.
1. Sensomotorische stadium (0-2 jaar) hoofdstuk 6
2. Preoperationle stadium (2-7jaar) De intellectuele ontwikkeling
Preoperationeel stadium Paiget: 2-7 jaar, waarin het gebruik van symbolisch denken groeit,
het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van begrippen toeneemt.
VB: kind dat zijn rokenede oom nadoet. Met een pen of krijtje. Zelfs als zijn oom net
wegloopt uit het zicht. Imitatie!
Operaties: Georganiseerde formele logische mentale processen.
Symboolgebruik: Het gebruiken van symbolen plaatsjes om iets begrijpelijk te maken.
PECS is een v:eelgebruikt systeem hiervoor.
Centratie: het onvermogen van kinderen om zich op meer dan 1 aspect van een prikkel te
kunnen consenteren. WAT JE ZIET IS WAT JE DENKT!
Centratie
Conservatie
Conservatie: het inzicht dat kwantiteit niet
gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke verschijningsvormen van objecten. LEREN
DAT UITERLIJKE SCHIJN BEDRIEGT.
Transformatie: het proces waarbij de ene toestand verandert in de andere.
Egocentrisme: het onvermogen om zicht te verplaatsen in anderen. Kinderen van deze
leeftijd hebben het inlevingsvermogen in een ander nog niet ontwikkeld. Ze denken en doen
alleen via eigen handelen.
Intuïtief denken: een vorm van denken waarbij peuters/kleuters gretig kennis over de
wereld verwerven en primitief redeneren. (Vaak ook niet kloppende verhalen.)
Functionaliteit: houdt in dat acties, gebeurtenissen en resultaten volgens vaste patronen
aan elkaar gerelateerd worden.
Identiteit: het besef dat bepaalde dingen hetzelfde blijft ongeacht veranderingen in vorm
omvang of uiterlijk.
VB: kind kan begrijpen dat een stuk klei evenveel klei bevat als je andere vormen van maakt.
Autobiografisch geheugen: de herinnering aan specifieke gebeurtenissen uit ons eigen
leven.
Script: een algemene weergave in het geheugen van gebeurtenissen en de volgorde ervan.