Organisatie
Functionele organisatiebegrip:
Organiseren: het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten.
Institutionele organisatiebegrip: Organisatie als object met een naam en een vestiging
Instrumentele organisatiebegrip: Organisatie als middel waarmee we bepaalde
doelstellingen kunnen verwezenlijken
Organisatie: een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is
Bedrijf: een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een
afzetmarkt te verkopen. Er zijn bedrijven met of zonder winstoogmerk.
Onderneming: een bedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst
Kenmerken van een organisatie:
- Menselijke factor
- Samenwerkingsvorm
- Doelgerichtheid
- Continuïteit
Hoofddoelstellingen van een organisatie:
- Interne doelstelling: continuïteit
- Externe doelstelling: voorzien in een maatschappelijke behoefte
Eigenschappen van een organisatie:
- Synergie-effect (Resultaat van het totale samenwerkingsverband is groter dan
optelling van resultaten van individuele prestaties).
- Machtsverdeling in lagen
- Geschoold personeel
- Formele communicatie, regelgeving en methoden
- Werkverdeling naar functie
- Omschreven doelstellingen
Homoniemen van een organisatie:
- Functioneel: de organisatie als functie, het effectief op elkaar afstemmen van
activiteiten
- Institutioneel: een organisatie als een object
- Instrumenteel: de organisatie als een instrument of als middel om de
organisatiedoelstellingen te verwezenlijken. Het middel, afdelingen, vestigingen
Er zijn ondernemingen met en zonder rechtspersoonlijkheid
Ondernemingen die beheerd worden door natuurlijke personen:
- Eenmanszaak
- Vennootschap onder firma (vof)
- Commanditaire vennootschap (cv)
- Maatschap
, Ondernemingen met rechtspersoonlijkheid:
- Naamloze vennootschap (nv) (Onderneming met zelfstandige rechtspersoonlijkheid
en is onafhankelijk)
- Besloten vennootschap (bv) (onderneming met zelfstandige rechtspersoonlijkheid,
aandelen staan op naam en zijn niet verhandelbaar.
- Coöperatieve vereniging
Kengetallen: Gericht op productiviteit
Belangrijke instrumenten om het presteren van organisaties te bepalen:
Productiviteit: Verhouding tussen het bereikte resultaat en de daarvoor gebrachte offers.
Output/input.
Efficiëntie: Verhouding tussen de normoffers en de gebrachte offers.
Output(werkelijk/norm) en input (norm/ werkelijk)
Effectiviteit: Verhouding tussen het werkelijk bereikte resultaat en het normresultaat.
Werkelijke output/norm output
Effectief: wordt het doel bereikt = doeltreffendheid ‘alle patiënten zijn vandaag geholpen’
Efficiëntie: hoe wordt het doel bereikt = doelmatigheid ‘de helft van de patiënten is na
officiële sluitingstijd geholpen
Redenen om organisatietheorieën te bestuderen:
- Ze vormen een leidraad bij beslissingen
- Ze vormen visies op organisaties
- Ze maken ons bewust van de organisatieomgeving
- Ze zijn een bron van nieuwe ideeën.
Week 2:
Vier krachten vormen de start van de organisatieontwikkeling:
1. De protestants-christelijke ethiek t.a.v. arbeid (mensen moeten hun roeping op aarde
waarmaken door arbeid, hard werken)
2. Het kapitalisme en de opdeling van de arbeid (18e eeuw) (slim omgaan met het geld
wat je overhoudt (beleggen etc.))
3. De industriële revolutie (stoommachines, werkers organiseerden zich in een
organisatie)
4. Het productiviteitsprobleem (productiviteit bleef achter bij de verwachtingen, door
een gebrek aan getrainde managers en het vinden van de juiste schaalvoordelen.)
7 stromingen organisatiekunde:
a. Klassieke organisatiekunde (vanaf 1890) (rol manager en gezagshoudingen, taylor,
gilbreths, fayol en weber)
b. Gedragskundige benadering (vanaf 1930) (de mens en de menselijke relaties als
uitgangspunt -> hoe motiveren.) (Mayo en Maslov.)
c. Revisionisme (vanaf 1950) (samenvoeging klassieke en gedragskundige
organisatietheorie. Brede aanpak)
d. Systeembenadering (vanaf 1950) (organisatie wordt van grote afstand bekeken, de
relatie met de omgeving komt dan in beeld. Black box, suboptimalisatie.)
, e. Contingentiebenadering (vanaf 1960) (‘Het hangt er maar van af’, zien in dat er
meerdere manieren zijn van organiseren. Situationeel)
f. Totale kwaliteitszorg (vanaf 1980) (kwaliteitsmanagement gericht op het gehele
industriële/dienstverlenende proces. Continu verbeteren) (Juran, Deming, Imai)
g. De lerende organisatie (vanaf 1990) (hoe houd je de organisatie efficiënt en
winstgevend terwijl de organisatie steeds verandert. Continu veranderen/aanpassen
aan de omgeving)
Klassieke organisatiekunde:
Frederick Taylor: scientific management. (Naar werkprocessen kijken)
- Gericht op de verbetering van de efficiëntie van bedrijfsactiviteiten.
- Er werden prestatiebeloningen gekoppeld om de arbeidsproductiviteit te verhogen.
- Kritiek op Taylor: te weinig aandacht voor de mens in zijn management.
Frank Gilbreths: scientific management
- Onderzoek dat gericht is op de tijdsbesteding van arbeiders per handeling
- Onderzoek dat gericht is op de beste werkmethode.
- Mens staat centraal
Henri Fayol: algemene managementtheorie
- Gaf aan dat de kernelementen van management in elke organisatie aanwezig
moesten zijn: vooruitzien en plannen, organiseren, bevelen, coördineren, controleren
- Eenheid van gezag, 1 leidinggevende.
- Eenheid van bevel: 1 baas per afdeling of productielijn.
Max Weber: bureaucratie.
- Paarse krokodil
- Gezag is niet gekoppeld aan de persoon maar aan de functie die men uitvoert.
- Alles draait om procedures, werkmethodes en functies zijn van tevoren duidelijk
vastgelegd.
- Weinig afstemming nodig
Behoeftenpyramide Maslov:
, Maslov hield zich bezig met de motivatie van werknemers omdat er gedacht werd dat de
werknemer alleen door een geldelijke stimulans gemotiveerd kon worden.
Elton Mayo:
Had aandacht voor de mens, er werden onderzoeken gedaan naar veranderende
arbeidsomstandigheden. Er werd geëxperimenteerd met licht, de duur van pauzes en
werkuren.
McGregor: ontwikkelde een managementtheorie over organisatie en leidinggeven, waarin
hij twee tegengestelde mensbeelden weergaf:
Theorie X gaat ervan uit dat mensen van nature lui zijn, werk zoveel mogelijk vermijden etc.
Volgens deze theorie bestaat de pure arbeidsmotivatie uit de financiële prikkel. Bij deze
theorie werkt het systeem van belonen en bestraffen het beste. Mensen willen beslist geen
verantwoordelijkheidsgevoel voor hun werk dragen.
Theorie Y: gaat ervan uit dat de mens verschillende behoeften heeft en dat de mensen van
nature graag willen werken en zich willen inspannen voor hun werk. Hierbij is het systeem
van straffen en belonen niet meer nodig.
Suboptimalisatie: Optimalisatie in delen van het systeem, waarbij de belangen van het
totale systeem per definitie niet optimaal gediend zijn.
Week 3:
Manager: Persoon die zich richt op de planning, organisatie, leiding en beheersing van een
organisatie en die menselijke en materiele middelen toewijzen om de organisatiedoelen te
bereiken.
Soorten managers:
- Operationele managers
- Midden managers
- Topmanagers
Taken van het management:
- Het topmanagement houdt zich bezig met strategie
- Het middenmanagement vertaalt die lange termijnplannen naar de middellange
termijn
- Het operationeel management richt zich op de korte termijn.
Welke vaardigheden heeft een manager
nodig:
- Conceptueel -> oplossingen kunnen
verzinnen voor ingewikkelde
situaties, plannen
- Organiseren -> conceptueel en
communicatief
- Leidinggeven -> communicatief en
interpersoonlijk