MWH4: De overheid grijpt in
Boek
De aanwending van productiefactoren is Pareto-optimaal als niemand zich meer kan
verbeteren zonder dat het ten koste gaat van een ander
Het consumentensurplus is het verschil tussen de prijs die de consumenten maximaal
moeten betalen en willen betalen
Het producentensurplus is het verschil tussen de marginale kosten en de prijs
Een minimumprijs is een gegarandeerde prijs voor de aanbieder, vaak boven de marktprijs
Een maximumprijs is een gegarandeerde prijs voor de vrager, meestal onder de marktprijs
Externe effecten zijn niet in de prijs verrekende neveneffecten van productie of consumptie
Er is sprake van marktfalen. De prijzen dekken dan niet alle kosten of geven niet alle
opbrengsten weer
Afwentelen is het doorberekenen van een heffing aan de consument
Memokaart D08: ligging aanbodlijn
Heffingen en subsidies bij onvolledige concurrentie
Boek ‘in het kort’
Als consumenten en producenten hun eigen belang nastreven; niet hoogst mogelijke
welvaart
Op markt van volkomen concurrentie de grootste consumenten- en producentensurplussen
Overheid kan ingrijpen op een markt zonder volkomen concurrentie bij marktfalen
Prijs te hoog of te laag:
- Maximumprijs
- Minimumprijs (garantieprijs) overschot; opkopen door overheid tegen heffing
Positieve of externe effecten:
- Heffingen
- Subsidies
, Aantekeningen elo
Aantekeingen minimumprijs H4.3
Op de perfecte markt (= een markt met volkomen
concurrentie) luiden de collectieve vraagfunctie en de
collectieve aanbodfunctie van een bepaalde soort graan:
QA = 2 P 60 QV = P + 150
Q in miljoenen kilogram, P in centen per kilogram.
* Als de markt wordt vrijgelaten door de overheid komt de
evenwichtsprijs tot stand:
QA = QV → 2P 60 = P + 150 → 3P = 210
→ P = 70
* vervolgens stelt de overheid een minimumprijs (=
garantieprijs) in.
Het doel van een minimumprijs is een hoger inkomen voor
de producenten
→ een minimumprijs heeft zin als deze boven / onder de
evenwichtsprijs ligt
De minimumprijs wordt vastgesteld op € 0,90
→ QA = 2 * 90 60 = 120 (miljoen kilo) QV = 90 + 150 = 60
(miljoen kilo)
Er ontstaat dus een aanbodoverschot van 120 60 = 60
miljoen kilo.
Dit wordt door de overheid opgekocht tegen de
minimumprijs
van € 0,90 per kilo.
Het totale opkoopbedrag bedraagt dus 60 miljoen * € 0,90
= € 54 miljoen.
Boek
De aanwending van productiefactoren is Pareto-optimaal als niemand zich meer kan
verbeteren zonder dat het ten koste gaat van een ander
Het consumentensurplus is het verschil tussen de prijs die de consumenten maximaal
moeten betalen en willen betalen
Het producentensurplus is het verschil tussen de marginale kosten en de prijs
Een minimumprijs is een gegarandeerde prijs voor de aanbieder, vaak boven de marktprijs
Een maximumprijs is een gegarandeerde prijs voor de vrager, meestal onder de marktprijs
Externe effecten zijn niet in de prijs verrekende neveneffecten van productie of consumptie
Er is sprake van marktfalen. De prijzen dekken dan niet alle kosten of geven niet alle
opbrengsten weer
Afwentelen is het doorberekenen van een heffing aan de consument
Memokaart D08: ligging aanbodlijn
Heffingen en subsidies bij onvolledige concurrentie
Boek ‘in het kort’
Als consumenten en producenten hun eigen belang nastreven; niet hoogst mogelijke
welvaart
Op markt van volkomen concurrentie de grootste consumenten- en producentensurplussen
Overheid kan ingrijpen op een markt zonder volkomen concurrentie bij marktfalen
Prijs te hoog of te laag:
- Maximumprijs
- Minimumprijs (garantieprijs) overschot; opkopen door overheid tegen heffing
Positieve of externe effecten:
- Heffingen
- Subsidies
, Aantekeningen elo
Aantekeingen minimumprijs H4.3
Op de perfecte markt (= een markt met volkomen
concurrentie) luiden de collectieve vraagfunctie en de
collectieve aanbodfunctie van een bepaalde soort graan:
QA = 2 P 60 QV = P + 150
Q in miljoenen kilogram, P in centen per kilogram.
* Als de markt wordt vrijgelaten door de overheid komt de
evenwichtsprijs tot stand:
QA = QV → 2P 60 = P + 150 → 3P = 210
→ P = 70
* vervolgens stelt de overheid een minimumprijs (=
garantieprijs) in.
Het doel van een minimumprijs is een hoger inkomen voor
de producenten
→ een minimumprijs heeft zin als deze boven / onder de
evenwichtsprijs ligt
De minimumprijs wordt vastgesteld op € 0,90
→ QA = 2 * 90 60 = 120 (miljoen kilo) QV = 90 + 150 = 60
(miljoen kilo)
Er ontstaat dus een aanbodoverschot van 120 60 = 60
miljoen kilo.
Dit wordt door de overheid opgekocht tegen de
minimumprijs
van € 0,90 per kilo.
Het totale opkoopbedrag bedraagt dus 60 miljoen * € 0,90
= € 54 miljoen.