Te veel geld maakt ongelukkig
Geld = een algemeen aanvaard ruilmiddel
Er zijn twee soorten geld:
1. Chartaal geld: wordt uitgegeven door ECB en bestaat uit munten en bankbiljetten
2. Giraal geld: een direct opeisbaar tegoed bij een bank waarmee direct betaald kan worden;
staat op rekeningen bij particuliere banken
Monetair financieren = betalen van overheidstekort met bijgemaakt geld
Transactiekosten: de kosten die nodig zijn om tot een transactie te komen
Geld heeft drie functies:
1. Betaalmiddel
2. Rekenmiddel
3. Oppotmiddel
Toepassing: betalingsbalans (zie laatste pagina)
Maatschappelijke geldhoeveelheid:
Alle chartale en girale geld dat niet in handen is van geldscheppende instellingen (dat in
handen is van 'het publiek').
Verkeersvergelijking van Fisher: M*V=P*T
M = maatschappelijke geldhoeveelheid
V = gemiddelde omloopsnelheid van het geld
T = aantal verhandelde producten
P = gemiddelde prijspeil
M * V = totale bedrag waarvoor gekocht wordt = totale bestedingen
P * T = totale bedrag waarvoor verkocht wordt = totale omzet van de producten (totale
waarde van de producten)
* Stel: M stijgt naar € 120 miljard en V is constant
→ M * V = € 120 miljard * 5 = € 600 miljard
→ P * T stijgt → het (nominale) BBP stijgt
* De stijging van het nominale BBP kan afhankelijk van de conjuncturele situatie twee
dingen betekenen:
(1) Bij onderbesteding: P is constant
→ P * T = € 20 * 30 miljard = € 600 miljard