11.4 Aardrijkskunde en taal
Taal in zaakvakteksten is moeilijk omdat de schoolse taal anders is dan de taal die kinderen
dagelijks gebruiken. Zaakvakteksten, zoals teksten in aardrijkskundeboeken, gaan over
onderwerpen waarvan kinderen weinig voorkennis hebben. Daardoor kunnen ze de teksten
moeilijker interpreteren.
Als kinderen teksten in schoolboeken wél kunnen lezen, krijgen ze succeservaringen en leren
ze de schooltaal te gebruiken. Daarom is het belangrijk bij elke activiteit de taalontwikkeling
te stimuleren. Dat kan op drie manieren:
1. taalaanbod: de drie b's betrokkenheid, begrijpelijkheid, boven-niveau
2. taalruimte: onderwerpsruimte, beurtruimte
3. feedback: verbeteren, helpen verhelderen, positief bevestigen
Het win-win-model is een model om moeilijke zaakvakteksten toegankelijk te maken. Het
model bestaat uit drie stappen:
1. Kinderen voorbereiden op het lezen van een tekst.
2. De tekst behandelen.
3. De kinderen gaan de taal en hun kennis gebruiken in een nieuwe situatie.
Kaartlezen
Een kaart is een blad met een voorstelling van de aarde of van een gedeelte ervan. Om
kaarten te leren lezen volgen kinderen de leerlijn voorbereidend, aanvankelijk en voortgezet
kaartlezen.
12.1 Voorbereidend kaartlezen
In het onderwijs met groep 1 en 2 wordt doelbewust gewerkt aan de ontwikkeling van de
ruimtelijke oriëntatie van kinderen. Alle activiteiten die erop gericht zijn jonge kinderen
basisvaardigheden aan te leren zodat ze op latere leeftijd kunnen leren om kaarten te lezen,
worden samengevat onder het begrip voorbereidend kaartlezen.
De onderdelen van het voorbereidend kaartlezen zijn:
• Abstraheren: kinderen kunnen losse elementen samenvatten onder één abstract
begrip.
• Objectiveren: kinderen moeten een zakelijke inventarisatie van een ruimte kunnen
geven.
• Ordenen: kinderen moeten een ruimte in verschillende delen kunnen ontleden.
• Lokaliseren: kinderen moeten begrippen die iets weergeven over de afmeting, de
plaats, de richting en de afstand van iets of iemand op een juiste manier kunnen
gebruiken.
• Relateren: kinderen moeten de samenhang tussen inrichtingselementen kunnen
noemen.