§1 Fenotype en genotype
Fenotype = alle waarneembare eigenschappen van een individu.
Genotype = de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu.
Vanaf de bevruchting staan de alle erfelijke eigenschappen vast.
De eigenschappen bestaan uit kenmerken van de moeder en kenmerken van de vader.
Chromosomen = langgerekte dunne draden in de celkern. Bevatten de erfelijke eigenschappen.
Chromosomen zijn alleen zichtbaar bij delende cellen.
Karyotype = de rangschikking van chromosomen in een cel.
Het andere woord ervoor is:
- chromosomenportret
- karyogram
Wanneer allebei de chromosomen van een chromosomenpaar gelijk zijn aan vorm en grootte heet
dat een homologe chromosomenpaar.
22 chromosomen paren van de moeder en de vader = 44 chromosomen = autosomen
23e chromosomenpaar = chromosomenpaar waarbij het de geslacht van het individu wordt
bepaald. Ook wel geslachtschromosomen.
Bij een man zijn deze chromosomen niet gelijk aan elkaar. = XY
Bij een vrouw zijn deze chromosomen wel gelijk aan elkaar. = XX
Gen = deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een erfelijke eigenschap.
Bij een bepaald eigenschap is er meestal meer dan 1 gen bij betrokken.
vb.
- kleur van de ogen
- lichaamslengte
Een chromosoom bevat:
- 1 zeer lang molecuul van de stof DNA
- veel eiwitmoleculen
(Kun je vinden op blz 70a van de binas)
Het DNA-molecuul bestaat uit 2 ketens die in
een dubbele spiraal om elkaar heen liggen.
DNA is opgebouwd uit 4 verschillen
bouwstenen ook wel nucleotiden.
Nucleotiden bestaat uit:
- fosfaatgroep
- desoxyribose
- stikstofbase
Elke keten bestaat uit vele duizenden aan
elkaar gekoppelde nucleotiden.
In cellen va schimmels, planten en dieren
bevindt DNA zich in:
- de kern
- de mitochondriën
In een plantaardige cel komt DNA ook nog voor
,in de bladgroenkorrels.
Genoom = alle DNA-moleculen in een cel.
In een DNA-molecuul komen 4 verschillende stikstofbasen voor:
- adenine (A)
- thymine (T)
- cytosine (C)
- guanine (G)
Ze vormen dan vaste paren, ook wel basenparing.
A staat tegenover T
C staat tegenover G
De stikstofbasen in een gen zijn in een specifieke volgorde of sequentie. = DNA-sequentie.
In deze volgorde kan er ook variatie voorkomen, dat heet een allel.
Genen kunnen worden aan- en uitgezet worden. Als de genen worden aangezet, komen de
erfelijke eigenschappen tot uiting. Dat wordt ook wel genexpressie genoemd.
Als de genen uit staan heet dat inactivatie.
vb. In bepaalde cellen van je hoofdhuid staan de genen aan die betrokken zijn bij de vorming van
hoofdharen. De genen voor levercellen staan dan uit.
Het genotype bepaalt vele eigenschappen van een individu.
Het fenotype wordt bepaald door het milieu. maar ook door het genotype.
Een dergelijke verandering noem je modificatie.
Bij een modificatie verandert de informatie in de chromosomen niet. Een modificatie wordt niet
doorgegeven aan de nakomelingen.
Wanneer een afwijking, aandoening of ziekte in de baarmoeder ontstaat, spreek je van een
aangeboren afwijking.
Als deze genetisch via de ouders wordt doorgegeven, is er sprake van een erfelijke ziekte/erfelijke
aandoening.
§2 Genenparen
Locus = de plaats van een gen in een chromosoom.
Homologe chromosomen komen ook overeen als het gaat om locus.
Homologe chromosomen bevatten dan ook genen voor dezelfde erfelijke eigenschappen.
Een gen voor een bepaald eigenschap kan verschillende allelen hebben.
Homozygoot = Beide chromosomen van het chromosomenpaar bevatten gelijke allelen van een
eigenschap.
Heterozygoot = De chromosomen van het chromosomen paar verschillen in allelen als het gaat
om de eigenschap.
Dominante allel = een van de beide allelen komt tot uiting. Het is om zo te zeggen sterker dan het
andere allel.
Dat andere allel heet het recessieve allel.
Recessieve allel = dit allel komt alleen tot uiting als er geen dominant allel aanwezig is.
Aan het uiterlijk is niet te zien of iets hetero- of homozygoot is.
, Personen die heterozygoot zijn, zijn drager van de recessieve eigenschap (vb. een rechte haarlijn)
Voor de meeste erfelijke eigenschappen zijn er:
- dominante allelen
- recessieve allelen
Onvolledig dominant = een recessief allel komt bij een
heterozygoot individuen een beetje tot uiting in het
fenotype
Codomimatie: beide eigenschappen komen volledig
tot uiting in het fenotype (er zijn dus 2 dominante
allelen en er is geen recessief allel)
Intermediair = fenotype is een mengvorm van beide allelen.
Genetica wordt weergegeven in letters.
Een dominant allel = een hoofdletter
Een recessief allel = een kleine letter
vb. een individu is heterozygoot voor een eigenschap, wordt dat aangegeven met Aa.
recombinatie = het herverdelen van erfelijke eigenschappen
Als er recombinatie plaatsvindt hebben nakomelingen een andere combinatie van allelen dan
beide ouders.
Recombinatie vindt plaats door:
- meiose I
- geslachtelijke voortplanting
Bij meiose I gaan chromosomen van een chromosomenpaar uit elkaar. Ze verschillen vaak van
elkaar en hebben de dochtercellen een verschillend genotype.
vb. bij individuen van een soort waarbij er 3 chromosomen aanwezig zijn. (n = 3)
Bij geslachtelijke voortplanting ontstaat door bevruchting waar een diploïde cel en worden de
chromosomen en daardoor dus ook de allelen van beide ouders bij elkaar gebracht.
Er ontstaat dan door recombinatie nieuwe genenparen.
Genetische variatie = door recombinatie van allelen ontstaat er een groot verschil in genotypen
binnen een soort.
Een eeneiige tweeling opstaan uit de versmelting van 1 zaadcel en 1 eicel.
Door omstandigheden splitst de zygote zich in 2 klompjes cellen.
Ze ontwikkelen zich tot individuen met precies hetzelfde genotype.
Een twee-eiige tweeling ontstaat uit 2 zaadcellen en 2 eicellen.
De allelen in 2 zaadcellen zijn niet precies hetzelfde,
Beide leden van een twee-eiige
tweeling hebben dan ook niet
hetzelfde genotype.
Ze lijken net zoveel op elkaar als
andere broers en zussen op elkaar
kunnen lijken.