Hoofdstuk 13, Historischekostenstelsel
13.1 Toepassing van historische kosten op de vaste activa
Het historischekostenstelsel baseert zich op werkelijk betaalde prijzen en is als zodanig vrij
van schattingen. Dit stelsel levert weinig problemen op bij duurzame productiemiddelen. De
waardering geschiedt tegen de oorspronkelijk betaalde prijs – de afschrijvingen.
13.2 Toepassing van historische kosten op de voorraden
Bij het historischekostenstelsel kunnen verschillende aannames gehanteerd worden ten
aanzien van het verloop van de voorraad:
Fifo
Gemiddelde inkoopprijs
Lifo
13.2.1 Fifo
Bij de fifo-methode geldt de boekhoudkundige veronderstelling dat de eerst ingekochte
goederen ook weer als eerst worden verkocht. De gerealiseerde voorraadresultaten worden
tot de winst gerekend. Er is dan sprake van een nominalistische winstbepaling. Echter, als
voorraadresultaten uitgekeerd worden is het gevaar aanwezig van uitholling van de
voorraad productiemiddelen en daarmee uitholling van de onderneming. voorraadresultaten
worden aangeduid als schijnwinsten. Het is mogelijk bij de voorraden om bij het
historischekostenstelsel de in de winst opgenomen voorraadresultaten te verkleinen door
een andere aanname over het verloop van de voorraad te doen.
13.2.2 Gemiddelde inkoopprijs
Bij de gemiddelde-inkoopprijsmethode wordt als basis voor de waardering en winstbepaling
de gewogen gemiddelde inkoopprijs van de voorraad genomen. De voorraadresultaten
worden daarmee nog grotendeels tot de winst gerekend. De winstberekening is daarom als
overwegend nominalistisch te beschouwen.
13.2.3 Lifo
Bij de lifo-methode wordt uitgegaan van de boekhoudkundige veronderstelling dat de laatst
ingekochte goederen het eerst worden verkocht. Er zijn 2 varianten: individueel lifo en
collectief lifo.
Bij individueel lifo (lifo per transactie) wordt per transactie bekeken welke voorraad op het
moment van verkoop het meest recent is ingekocht. Deze voorraad wordt dan geacht te zijn
verkocht. Wanneer bij stijgend prijsniveau bij verkoop geput kan worden uit recente
inkopen, zal de werking sterk substantialistisch zijn. De kostprijs van de verkopen benadert
immers de vervangingswaarde. Indien tegenover de verkopen weinig of geen recente
inkopen staan, wordt geput uit oude inkopen met lagere inkoopprijzen. De winstberekening
heeft dan een meer nominalistische werking. Partieel substantialisme wilt zeggen, wel voor
de voorraden, niet ten aanzien van duurzame productiemiddelen.
Bij collectief lifo (lifo per periode) wordt aangenomen dat de laatst in de betreffende
periode ingekochte voorraden in die periode zijn verkocht, ongeacht de volgorde van in- en
verkopen. Collectief lifo is niet bedoeld om winsten per transactie te behalen maar als
periodewinstbepalingssysteem. De kostprijs wordt dan in totaliteit voor een bepaalde
periode bepaald door deze af te leiden uit het verband tussen beginvoorraad, inkopen en
13.1 Toepassing van historische kosten op de vaste activa
Het historischekostenstelsel baseert zich op werkelijk betaalde prijzen en is als zodanig vrij
van schattingen. Dit stelsel levert weinig problemen op bij duurzame productiemiddelen. De
waardering geschiedt tegen de oorspronkelijk betaalde prijs – de afschrijvingen.
13.2 Toepassing van historische kosten op de voorraden
Bij het historischekostenstelsel kunnen verschillende aannames gehanteerd worden ten
aanzien van het verloop van de voorraad:
Fifo
Gemiddelde inkoopprijs
Lifo
13.2.1 Fifo
Bij de fifo-methode geldt de boekhoudkundige veronderstelling dat de eerst ingekochte
goederen ook weer als eerst worden verkocht. De gerealiseerde voorraadresultaten worden
tot de winst gerekend. Er is dan sprake van een nominalistische winstbepaling. Echter, als
voorraadresultaten uitgekeerd worden is het gevaar aanwezig van uitholling van de
voorraad productiemiddelen en daarmee uitholling van de onderneming. voorraadresultaten
worden aangeduid als schijnwinsten. Het is mogelijk bij de voorraden om bij het
historischekostenstelsel de in de winst opgenomen voorraadresultaten te verkleinen door
een andere aanname over het verloop van de voorraad te doen.
13.2.2 Gemiddelde inkoopprijs
Bij de gemiddelde-inkoopprijsmethode wordt als basis voor de waardering en winstbepaling
de gewogen gemiddelde inkoopprijs van de voorraad genomen. De voorraadresultaten
worden daarmee nog grotendeels tot de winst gerekend. De winstberekening is daarom als
overwegend nominalistisch te beschouwen.
13.2.3 Lifo
Bij de lifo-methode wordt uitgegaan van de boekhoudkundige veronderstelling dat de laatst
ingekochte goederen het eerst worden verkocht. Er zijn 2 varianten: individueel lifo en
collectief lifo.
Bij individueel lifo (lifo per transactie) wordt per transactie bekeken welke voorraad op het
moment van verkoop het meest recent is ingekocht. Deze voorraad wordt dan geacht te zijn
verkocht. Wanneer bij stijgend prijsniveau bij verkoop geput kan worden uit recente
inkopen, zal de werking sterk substantialistisch zijn. De kostprijs van de verkopen benadert
immers de vervangingswaarde. Indien tegenover de verkopen weinig of geen recente
inkopen staan, wordt geput uit oude inkopen met lagere inkoopprijzen. De winstberekening
heeft dan een meer nominalistische werking. Partieel substantialisme wilt zeggen, wel voor
de voorraden, niet ten aanzien van duurzame productiemiddelen.
Bij collectief lifo (lifo per periode) wordt aangenomen dat de laatst in de betreffende
periode ingekochte voorraden in die periode zijn verkocht, ongeacht de volgorde van in- en
verkopen. Collectief lifo is niet bedoeld om winsten per transactie te behalen maar als
periodewinstbepalingssysteem. De kostprijs wordt dan in totaliteit voor een bepaalde
periode bepaald door deze af te leiden uit het verband tussen beginvoorraad, inkopen en