1. Een goede test is betrouwbaar als 95% van de scores binnen het
betrouwbaarheidsinterval liggen.
a. Juist
b. Onjuist
2. Een goede test heeft zes kenmerken. Dit zijn: Betrouwbaarheid,
Objectiviteit, Standaardisatie, Validiteit, Effectiviteit en Normering.
a. Juist
b. Onjuist
3. Een goede test heeft zes kenmerken. Dit zijn: Betrouwbaarheid,
Objectiviteit, Standaardisatie, Validiteit, Effectiviteit en Normering.
a. Juist
b. Onjuist
4. Een test is alleen betrouwbaar als bij herhaalde metingen er steeds
precies dezelfde score behaald wordt.
a. Juist
b. Onjuist
5. Een test is objectief als het niet uitmaakt wie de beoordelaar is.
a. Juist
b. Onjuist
6. Wat is de waarde van Cohen's Kappa, K = (P0 -
Pt )/(1 - Pt )?
a. 0,20
b. 0,40
c. 0,60
7. In het artikel "Je hebt liever niet dat ze komen" over de oliebollentest van
het Algemeen Dagblad zegt de oliebollenbakster: "Ze kunnen altijd een
stok vinden om een hond te slaan. We hebben de kraam hier nu drie jaar.
Nooit klachten gehad."
Welk kenmerk van een goede test heeft de AD Oliebollentest in elk geval
zeker niet als zij gelijk heeft?
a. Betrouwbaarheid
b. Standaardisatie
c. Efficiëntie
8. Bij een cultuurvrije test maakt het niet uit welke culturele of onderwijs
achtergrond de proefpersoon heeft. Welke uitspraak is waar?
a. Cultuurvrije testen zijn altijd nonverbale testen
b. Een Intelligentietest die niet cultuurvrij is mag niet in Nederland
worden uitgebracht
c. Cultuurvrije testen bestaan niet
9. Een meerkeuze-item heeft 6 antwoordmogelijkheden waarvan er 2 goed
zijn en 4 fout. Beide goede antwoorden moeten worden aangekruisd. Wat
is de kans dat iemand dit item goed gokt?
a. 2/6 = 1/3 oftewel 33%
b. 1/2 oftewel 50%
c. (2/6)*(1/6) = 2/36 = 1/18 oftewel 6%
d. (2/6)*(1/5) = 2/30 = 1/15 oftewel 7%
, 10.Een van de problemen bij prestatieniveautesten is dat proefpersonen zich
tijdens de test anders kunnen voordoen dan normaal teneinde een
gunstigere uitkomst op de test te behalen.
a. Juist
b. Onjuist
Antwoorden:
1. F
2. F
3. F
4. F
5. T
6. A
7. B
8. C
9. D
10. F
QUIZ 2
1. Wat mankeert er aan dit item dat uit een prestatietest komt?
"Wat is de belangrijkste oorzaak van het moreel verval in de
maatschappij?
a. Het Internet
b. De ontkerkelijking
c. De immigranten
d. Het individualisme
e. Iets anders
a. Het is niet relevant.
b. Het is niet objectief.
c. Het is niet specifiek.
d. Het is niet effeciënt.
e. Het item discrimineert niet.
2. Op een test, bestaande uit 35 items met 3 antwoordmogelijkheden, maakt
iemand 23 items goed en 12 fout. Als de assumpties voor toevalscorrectie
waar zijn, hoeveel items zijn dan door raden goed beantwoord?
a. 3
b. 4
c. 6
d. 8
3. Op een test, bestaande uit 35 items met 3 antwoordmogelijkheden, maakt
iemand 23 items goed en 12 fout. Wat is het gecorrigeerde aantal goede
antwoorden?
a. 15
b. 17
c. 19
d. 20