Wat is sondevoeding:
o Vloerbare voeding toedienen via een buigzame slang in de maag of in de darmen van
de zorgvrager.
Wanneer wordt het gegeven:
o Problemen met slikken of kauwen bij neurologische aandoeningen of
bewusteloosheid.
o Door operatie aan de mond of keelholte.
o Slokdarmaandoeningen, passagestoornis.
o Aandoeningen van de maag of darmen waarbij de voeding niet goed wordt
opgenomen of verteerd.
o Verminderde eetlust door ernstige ziekte (chemo/ca).
o Bij slechte lichamelijke conditie en risico op decubitus.
o Kinderen die langdurig voedsel weigeren.
Monomere sondevoeding:
o Volledig resorbeerbare, elementaire (astronautenvoeding).
o Bewerkt, levert nauwelijks restantproducten op.
o Bestaat uit voor verteerde eiwitten, vetten en koolhydraten.
o Toediening: Bij mensen met verterings en/of resorptiestoornissen. Of bij mensen met
een jejenumsonde.
Polymere sondevoeding:
o Bevat eiwitten, vetten en koolhydraten in de vorm van intacte, grote moleculen, waar
het lichaam zelf actief mee aan de slag moet gaan om het te verteren.
o Toediening: Wanneer er sprake is van een normale vertering en resorptie (goed
functionerend maagdarmstelsel).
o Onbewerkt.
Toedieningsvormen in porties:
Voordelen:
o Natuurlijke manier van eten.
Bij hevelsysteem ook direct sociaal contact met zorgvrager.
o
Nadeel:
o Soms wordt een grote hoeveelheid minder goed verdragen.
Toedieningsvorm constant:
Voordelen:
o Voeding komt geleidelijk in de darmen (beter verdraagbaar).
o Betere instelling van bloedsuiker met insulinepomp.
o Soms als bijvoeding zoals in de nacht en overdag normaal eten.
Nadelen:
o Gevaar voor dislocatie en aspiratie.