Economische waardetheorie
Afnemend grensnut (neoklassieke theorie)
- nut van elke volgende eenheid is lager dan nut van voorgaande eenheid
-vraag en aanbod -> schaarste
Afnemende meeropbrengst
- op grond van de wet van het afnemende grensnut is de vraagprijs een
afnemende functie van de geconsumeerde hoeveelheid
-vraag en aanbod
Prijselasticiteit
-hoe lager de prijs, hoe hoger de gevraagde hoeveelheid
-vastgoed is prijsinelastisch
-een prijsverandering heeft weinig invloed op de vraag
Consumentengedrag
-in praktijk grilliger dan in theorie
-niet altijd voldoende marktkennis, niet altijd rationeel
Concepten van marktprijs, marktwaarde, worth
Marktprijs
-Prijsconcept = totstandkoming prijs (biedprijs, marktprijs, laatprijs)
-Prijs = feitelijk gerealiseerd bedrag tussen koper en verkoper
-Koper gaat uit van de biedprijs (aanbodprijs) en verkoper gaat uit van de
laatprijs (vraagprijs)
-Zodra de biedprijs en laatprijs op hetzelfde punt komen, komt er een
transactie tot stand -> dit punt heet de marktprijs
-Marktprijs = bedrag waarop de balans wordt bereikt en een transactie tot
stand komt in een dynamische markt
-Makelaars, Kadaster en notarissen denken in prijsconcept
Marktwaarde
-Waardeconcept = door taxateur geschat, uitgaande van de prijs die
bereidwillige koper en verkoper waarschijnlijk overeen zouden komen
-Marktwaarde= Het geschatte bedrag waartegen vastgoed tussen een
bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke marketing in
een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de waardepeildatum,
waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang
zouden hebben gehandeld.
-Waarde geeft een aangenomen, mogelijk na onderhandeling te behalen,
geldwaarde weer.
-Taxateurs en banken denken in waardeconcept (value)
-Taxateur komt tot waardebepaling op basis van waardeconcept na
bestudering van het prijsconcept (bijv. koopsommen Kadaster)
, Worth
-Worthconcept = gebaseerd op subjectieve, niet aan de markt gebonden
waardering van een economische eenheid
-Persoonlijke omstandigheden kunnen een rol spelen, wat niet het geval is bij
het waardeconcept (subjectiever dan het waardeconcept)
-Vaak bij investering, beleidsuitgangspunt -> beleggingwaarde,
investeringswaarde, balanswaarde, rendementswaarde
-Marktworth = Marktworth is de prijs waarvoor een groep gelijkgestemde
kopers een investering zouden willen kopen of een groep van gelijkgestemde
verkopers een investering zouden willen verkopen op een markt waar kopers
en verkopers beschikken over al de beschikbare informatie en daarmee tot de
voor hen meest relevante prijs komen.
-Invloedssferen wordtconcept: beleid, economie, ervaring, extern, secenario’s,
markt
-Kopers en verkopers denken in worthconcept
Verschil
-Worthconcept = beleid (emotie)
-Waardeconcept = verwachting
-Prijsconcept = doen
Vastgoedmarkt
Heterogene producten
Momenteel oligopsonie
-Veel aanbieders, weinig vragers
-Omgekeerde heet oligopolie (voor de crisis)
Vertraging bereiken marktequilibrum
-Vertraging in de prijsreactie vanwege ondoorzichtige markt
-Consumentenvertrouwen en renteschommelingen beïnvloeden ook de
prijsreactie
Niet transparant
-Ondoorzichtig
Locatiegebonden
-Immobiliteit
Ontbreken van consumentensoevereiniteit
-Koper gaat aan de hand van inkomen zich oriënteren op voorraadmarkt
-Bij vastgoed is vaak de kennis over de markt niet aanwezig, waardoor
consumentensoevereiniteit ontbreekt
Emotionele binding met vastgoed
Cyclisch karakter
-Perioden waarin veel gebouwd wordt, worden afgewisseld met perioden
waarin nauwelijks nieuwbouw plaatsvindt
-Golfbewegingen