Soms zijn er indringende momenten die niet te voegen zijn onder bestaande wetten of
boekjes. Wat overblijft is je persoonlijke verantwoordelijkheid, hier en nu, voor het oog van
een publiek. Het begrip ‘verantwoordelijkheid’ is in het politieke spraakgebruik versleten
geraakt. Alle aandacht gaat uit naar het ‘afleggen’ ervan.
Toch is dit ‘afleggen’ slechts de juridische helft van de verantwoordelijkheid. De politieke helft
is veronachtzaamd. Daar komt het ‘antwoord’ dat in de term verscholen zit, niet op de vraag
van een beschuldiging, maar op een unieke situatie. Het gaat om de verbinding van die
beide.
Verantwoordelijkheid komt altijd na iets, na de vraag uit de werkelijkheid.
Verantwoordelijkheid is vereist in al die situaties waarin vaste regels niet werken. Bijv. de
dokter die besluit tot een ingreep, de ouders van een kind die voor het kind een school kiest.
Zulke beslissingen zijn nimmer juridisch dicht te metselen. Als alles in het leven volgens het
boekje ging, zou verantwoordelijkheid afleggen een bureaucratische exercitie zijn. De
richtlijnen nalopen. Het wordt interessanter als er iets niet klopt, als zich een unieke situatie
voordoet.
Het afleggen van verantwoordelijkheid krijgt pas kracht als ze tegendraads is. Dus niet: tja, ik
ben minister en wanneer mijn ambtenaren iets verkeerd doen krijg ik volgens het
staatkundige organogram de schuld. Maar eerder: wij waren op onbekend terrein, niemand
kon zeggen hoe te handelen, dus ik heb dit beslist en leg nu mijn lot in uw handen. Hoe
wisselender en onvoorspelbaarder de wereld, hoe groter de behoefte aan deze scheppende
kwaliteit.