Thema 5 – Evolutie
5.1 De evolutietheorie
Evolutie: ontwikkelingen waarbij levensvormen ontstaan en veranderen.
Generatio spontanea: Verklaring voor het ontstaan van leven. Niet waar.
Jean de Lamarck zei: geleidelijke verandering van soorten. Klopt niet omdat tijdens het
leven verkregen eigenschappen niet aan nakomelingen kunnen worden doorgegeven.
Charles darwin maakte een doorbraak in de evolutie. Belachelijk gemaakt.
Grondgedachten in de huidige evolutietheorie. Neodarwinisme/ neodarwinistische
evolutietheorie.
o Natuurlijke selectie/survival of the fittest: Best aangepaste organismen (met de
hoogste fitness) overleven. Mogelijk door de genetische variatie (verscheidenheid
in genotypen), door recombinatie en mutaties.
Reproductieve isolatie: een soort wordt gescheiden en er ontstaan
verschillende soorten
Bij verandering in milieuomstandigheden of een ziekte is de kans groot
dat er individuen zijn met goede adaptie.
o Mutanten hebben soms een grotere kans op overleven. Daardoor kan een
nieuwe soort ontstaan.
Selectiedruk: bepaalt wat er met de verschillende genotypen en fenotypen
gebeurt. Laag? Veel verschillende varianten blijven leven.
Creationisme: tegenover de evolutietheorie. Baseren op heilige boeken. Vele
stromingen.
o Intelligent design: ontkent evolutietheorie niet, maar sommige dingen zijn te
toevallig.
5.2 Evolutie van de mens
Primaten: hoogst ontwikkelde zoogdieren. Mens, mensapen, apen, halfapen.
Gemeenschappelijke voorouder. Ongeveer 50 miljoen jaar geleden ontstaan.
Veel inzicht door fossielen (=versteende overblijfselen van organismen).
5.3 Evolutie van een soort
Soort: de grootste verzameling van populaties waartussen een effectieve uitwisseling
van genen plaatsvindt of kan plaatsvinden.
o Soms twijfelgevallen: muildieren en muilezels. Niet effectief.
o Kan moeilijk zijn bij planten en eencellige dieren, ze planten zich ongeslachtelijk
voort.
Sommige dieren behoren wel tot dezelfde soort maar kunnen niet kruisen door een te
groot verschil in grootte.
Een soort bestaat uit 1 of meerdere populaties.
Gene flow: uitwisseling van genen tussen individuen uit verschillende populaties.
Genenpool: verzameling van alle genen in een populatie. Maat voor de genetische adapti
Welke allelen voor eigenschappen worden doorgegeven, wordt soms bepaalt door het
toeval.
Allelfrequentie: voor elk allel. Hoe vaak het voorkomt.
Micro-evolutie: verandering van allelfrequenties in een populatie.
Macro-evolutie: ontstaan van nieuwe soorten en groepen organismen.
Hardy-Weinberg evenwicht: Als de allelfrequentie gelijk blijft is er geen evolutie.
, o Geen mutaties, geen natuurlijke selectie, populatie oneindig groot, alle leden
planten zich voort, elk lid zelfde aantal nakomelingen, geen migratie.
o p2 + 2pq + q2 = 1
p = dominante allel frequentie.
q = recessieve allel frequentie.
p+q=1
Co-evolutie: als een evoluerende soort een andere soort beïnvloedt, die daardoor ook
evolueert.
Genetic drift: dat in kleine populaties door toeval grote verschuivingen in allelfrequenties
kunnen optreden.
o Flessenhalseffect: wanneer slechts een klein deel van de populatie overleeft.
o Foundereffect: Wanneer een bepaald deel van de populatie zich afscheidt van de
oorspronkelijke populatie.
5.4 Het ontstaan van nieuwe soorten
Reproductieve isolatie: nodig voor evolutie, ontstaan van nieuwe soorten.
o Geografische isolatie: populatie wordt gescheiden.
o Verschillen in gedrag: verschillend baltsgedrag bijvoorbeeld.
o Tijd: bijvoorbeeld op een ander moment paringsgedrag.
o Voorbeeld: vinken veranderden door ander
voedsel.
Evolutie is een langdurig proces.
Eilandtheorie:
o 10x zo groot eiland, 2x zo veel soorten.
o Het aantal soorten op een eiland wordt
bepaald door immigratie en extinctie.
Evenwicht als immigratie gelijk is aan
extinctie.
o Eilandbiogeografiemodel: Door McArthur en
Wilson. Zie rechts.
Allopatrische soortvorming: populaties raken
geografische geïsoleerd van elkaar.
Sympatrische soortvorming: Door mutaties is gene flow niet meer mogelijk.
Polyploïde: Er gaat iets mis bij mitose bij planten. Het wordt tetraploïd. Tetraploïde
organismen kunnen onderling kruisen.
5.5 De ontwikkeling van het leven
Door extreme omstandigheden was er eerst geen leven op aarde mogelijk.
Oeratmosfeer: tot 3 miljard jaar geleden. Geen zuurstof. Mengsel van gassen.
o Door omstandigheden konden de gassen ioniseren, waardoor koolstof, waterstof,
stikstof en zuurstof ontstond. Eerste organische stoffen.
Organische verbindingen in oerzeeën verdamping indikking oersoep
o Biogenese: Uit deze oersoep ontstonden grote moleculen, zoals DNA-strengen
werden druppels cellen
2,8 miljard jaar geleden: eerste autotrofen. Vergelijkbaar met cyanobacteriën.
o Produceerden O2, was giftig voor de prokaryoten, ze waren anaeroob.
o 2 miljard jaar geleden ontstonden aerobe organismen die zuurstof konden
gebruiken.
1.5 miljard jaar geleden: eerste eukaryoten.