Hoofdstuk 5 – Evenwichten
5.1 Omkeerbare reacties
Een oplos- en indampreactie geven omkeerbare reacties weer.
Verzadigde oplossing: maximale hoeveelheid van een stof opgelost.
o Oplosbaarheid: aantal gram per 100 gram oplosmiddel/mol per kilogram
oplosmiddel. Binas 45B.
In een kringloop kom je vaak omkeerbare reacties tegen.
Bij de vorming van hard water reageert koolzuurhoudend regenwater met kalksteen
tot een calciumwaterstofcarbonaatoplossing. Dat is een omkeerbare reactie; als je
het verhit keert het om.
De vorming van knalgas en water is een omkeerbare reactie.
Dynamisch evenwicht: heengaande en teruggaande reactie met dezelfde snelheid. In
de reactie staat een dubbele pijl.
o Insteltijd ti: de tijd die verloopt tot het evenwicht bereikt is.
Concentratiebreuk Qc: voor berekeningen op evenwichtsreacties.
o Alleen bij gassen en opgeloste stoffen.
C d
[C ] ⋅ [ D ]
o aA ( g ) + bB ( g ) ⇆ cC ( g ) + d D(g) geeft Q C = a b
[A ] ⋅[B]
1
o Q’c =
Qc
5.2 Homogene mengsels en homogene evenwichten
Homogeen mengsel: alle stoffen hebben dezelfde fase.
Homogeen evenwicht: alle stoffen komen in de concentratiebreuk te staan.
Bij een evenwicht heeft de concentratiebreuk een vaste waarde; Kc.
o Kc verandert alleen bij een temperatuurverandering. Binas 51.
o Evenwichtsvoorwaarde: Qc = Kc.
o Qc > Kc: Geen evenwicht. Concentraties rechts van de pijl moeten afnemen.
o Qc < Kc: Geen evenwicht. Concentraties links van de pijl moeten afnemen.
K >> 1: Het evenwicht ligt rechts.
K << 1: Het evenwicht ligt links.
5.3 Heterogeen evenwicht
Heterogeen mengsel: verschillende fases. Reactie vindt plaats aan het
contactoppervlak.
Heterogeen evenwicht: reacties aan grensvlak.
Het contactoppervlak heeft invloed op de insteltijd. Speelt geen rol bij de ligging van
het evenwicht.
Verdelingsevenwicht: verdeling van een stof over twee fases. Evenwichtsconstante
wordt aangegeven met Kv.
Oplosbaarheidsproduct: Bij slecht oplosbare zouten. Ks. Binas 46.
5.4 Veranderingen aan het evenwicht
Bij een verandering aan het evenwicht zal het reactiemengsel proberen om de
verandering weer zo veel mogelijk terug te draaien.
Door concentratieverandering:
o Een stof toevoegen (die je niet wil). Daardoor krijg je aan de andere kant meer
van de stof.
o De stof die je wil weghalen. Zo kan er een aflopende reactie ontstaan naar de
kant waar je de stof verwijdert.