H2, H3, H4, H5, H6,
H7, H8, H9
H2
Fasen van handelingsgericht werken:
1. Waarnemen/signaleren: verzamelen van leerlinggegevens,
signaleren welke leerlingen extra begeleiding nodig hebben.
2. Begrijpen/analyseren: benoemen van de onderwijsbehoeften van de
leerlingen.
3. Plannen: groepsplan opstellen.
4. Realiseren: uitvoeren van het groepsplan.
Uitgangspunten van handelingsgericht werken:
1. De onderwijsbehoeften van de leerling staan centraal.
2. Afstemming en wisselwerking: een leerling ontwikkelt zich in interactie met de
omgeving. Als we het gedrag van een leerling beschrijven, kan de omgeving dus niet
buiten beschouwing blijven.
3. De leraar doet ertoe.
4. Positieve aspecten zijn van groot belang. Het gaat om wat een leerling wel kan.
5. Constructieve samenwerking: samenwerking met de ouders.
6. Doelgericht handelen: smart formuleren wat je wilt bereiken.
7. De werkwijze is systematisch, in stappen en transparant.
Proactieve maatregelen: maatregelen die ervoor zorgen dat probleemgedrag niet kan
ontstaan.
4:1-ratio: tegenover elke vorm van correctie (straf, boze blik) zet je 4 positieve
bekrachtigers.
Attributie: de verklaring die mensen zoeken voor een faal- of succeservaring.
Interne attributie: je zoekt de oorzaak voor het resultaat bij jezelf.
Externe attributie: je schrijft de oorzaak toe aan iets/iemand anders.
Attributies kunnen makkelijk te veranderen zijn, variabel, of moeilijk te veranderen, stabiel.
Leerlingen met een negatieve attributiestijl zullen niet alleen een hekel krijgen aan
schooltaken, maar ook aan zichzelf. Als leerkracht kun je hier aandacht aan besteden door:
Succes te vieren, en hierbij alle credits aan de leerling te geven. “Wat heb jij goed
geleerd!”
De oorzaak van falen ombuigen van stabiel naar variabel. Bijvoorbeeld: “Je was na 10
minuten al klaar. Neem de volgende keer de tijd, en kijk alles nog even na voordat je
het inlevert.”
Feedback moet zo specifiek mogelijk zijn, en antwoord geven op 3 vragen:
Feed up: Waar werk ik naartoe? Welk doel moet ik bereiken?
Feed back: Hoe doe ik het op dit moment? Bereik ik zo mijn doel?
Feed forward: Hoe verder?
Homogene groepen: leerlingen met hetzelfde niveau.
Heterogene groepen: leerlingen met verschillende niveaus.
,ADI-model (activerende directe instructiemodel) is ongeveer hetzelfde als het DIM-model.
Intrinsieke motivatie: de motivatie komt vanuit de leerling zelf.
Extrinsieke motivatie: iemand anders motiveert de leerling.
Actief leren: leren door middel van activerende werkvormen.
Betekenisvol leren: de leerkracht houdt bij het aanbod van de leerstof rekening met de
interesses, belangstelling en ontwikkelingsfase van de leerling.
Transitie: het overschakelen van de ene naar de andere activiteit. Dit moet snel en efficiënt
gebeuren.
Behavioral kernels: gedragsbouwstenen. Gedragsbouwstenen hebben als doel om het
gedrag van alle leerlingen te optimaliseren. Voorbeelden van gedragsbouwstenen zijn:
Prijzen van gedrag.
Geschreven waardering: complimentenkaartjes.
Motivatieprijzen: bij voorkeur in overleg met de leerlingen bepaald. “Saaie”
beloningen zoals stickers of krullen worden vermeden.
Openbare feedback op gedrag.
VIP-loterij: positief gedrag wordt beloond met een plaatje, punt op puntenkaart, etc.
Als er een bepaald aantal ruilversterkers is ingezameld, kan dit worden ingewisseld
bij de directeur. De leerling krijgt dan een beloning.
Versla de timer.
Loterij: de leerling krijgt een ruilversterker als hij of zij het juiste gedrag laat zien. Er
volgt een beloning.
Teamcompetitie: er worden groepen samengesteld die gezamenlijk strijden tegen
andere groepen.
Speciaal spel: een volwassene speelt met de leerling, de leerling bepaalt welk spel er
wordt gespeeld en op welke manier dat gebeurt.
Groepsantwoorden: de leerkracht stelt een vraag, de klas antwoordt in koor.
Peer-to-peer tutoring: de leerlingen zitten in twee- of drietallen. Ze beantwoorden
om de beurt vragen en geven elkaar positieve/correctieve feedback of punten.
Computerspel
Positief bericht voor thuis.
Onverwachte beloningen: versterken van elk gedrag dat anders is dan het
ongewenste gedrag.
Response-cost: de leerlingen hebben kaartjes op tafel liggen. Bij ongewenst gedrag
wordt er een kaartje weggenomen.
Emotieneutrale feedback: als een leerling gecorrigeerd moet worden, kan dit het
beste emotieneutraal gebeuren.
Stop de klok: als leerlingen zich misdragen, gaat er een stopwatch lopen. De
stopwatch gaat uit zodra het gedrag stopt.
Overcorrectie: overcorrigeren van de effecten van het ongewenste gedrag.
Bijvoorbeeld: een leerling gooit een propje op het plein en moet vervolgens het hele
plein vegen.
Time-out: het contact tussen de leerling en de trigger (uitlokker van het gedrag)
wordt verbroken.
, Non-verbale aanwijzingen: gebaar, teken, geluid.
Stoplicht/geluidsmeter.
Begrenzing en belijning: gangen en schoolpleinen zijn voorzien van
lijnen/begrenzingen die aangeven waar welk gedrag is toegestaan. (Alleen voetballen
binnen de rode lijnen)
Coöperatief spel: van tevoren gepland spel. In het spel wordt er geoefend met regels,
beurtgedrag, sociale competenties en samenwerking.
Self-modeling: een leerling oefent het gewenste gedrag. Dit wordt vervolgens
opgenomen op video.
Self-monitoring: de leerling houdt bij in welke mate het gelukt is om et doelgedrag te
vertonen.
Betekenisvolle rollen: leerlingen krijgen een betekenisvolle rol tijdens groepswerk:
voorzitter, motivator, tijdbewaker, etc.
Naamstokjes/beurtstokjes.
H3
Groepsvorming:
1. Forming: kennismaking en oriëntatie.
2. Storming: strijd om invloed, verkrijgen van leiderspositie.
3. Norming: gemeenschappelijke normen over wat wel en niet gewenst is.
4. Performing: langere periode van rust en samenwerking.
5. Adjouring: de groep houdt op met bestaan.
Vitten: afscheid nemen doet minder pijn als het verleden minder aantrekkelijk lijkt. Ze
beginnen te benoemen wat er allemaal niet klopt aan de school.
Normvervaging: afscheid nemen doet ook minder pijn als de sfeer in de groep negatiever is.
Een aantal leerlingen wil zich niet aan de groepsregels houden en gaat minder respectvol
met elkaar om.
Klitten: met sommige leerlingen is het wel heel gezellig. Om het afscheid uit te stellen gaan
ze klitten: pyjamafeestjes organiseren, veel en lang elkaars gezelschap opzoeken.
In de praktijk zal het proces van groepsvorming niet zo lineair verlopen. Door verstoringen
kan een klas terugvallen in oud gedrag.
Bijvoorbeeld:
Een nieuwe leerling komt in de klas.
Een duobaan waarbij het verschil tussen de twee leerkrachten groot is.
Een invaller.
Hiërarchie in de groep:
Pop
ulai
re
gro
Gemiddelde
ep
groep: kunnen
goed meekomen
Controversiële groep: zijn
"anders"
Genegeerde groep: vallen niet erg op in de
groep, weing sociale vaardigheden
Afgewezen groep: worden vaker dan anderen vijandig
benaderd
, Pesten is een herhaalde en intentionele agressie van sterkeren tegenover zwakkeren in de
groep. Pesten is een groepsfenomeen, en verdient ook een groepsaanpak. Preventie van
pestgedrag verdient de hoogste prioriteit.
Een positief groepsklimaat zorgt er niet automatisch voor dat er in een groep niet wordt
gepest.
Voordat er een antipestpgrogamma wordt ingezet, kun je nagaan of er in een klas gepest
wordt, door middel van signaleringslijsten.
H4
Fasen van de Algemene onderwijsbehoeften van de groep
groepsvorming
Forming Een leraar die de leerlingen met elkaar in gesprek brengt.
Ondersteuning bij het ontdekken van de leef- en leeromgeving.
Een leraar die ieder kind het gevoel geeft dat hij/zij erbij hoort.
Norming Een leraar die duidelijk is.
Een leraar die regels en gedragsverwachtingen expliciteert.
Een leer- en leefomgeving die veilig is.
Storming Hulp bij het bepalen van ieders positie in de groep.
Een leraar die aandacht besteedt aan het omgaan met
conflicten.
Activiteiten die pestgedrag voorkomen.
Groepsgenoten die respect tonen voor elkaar, elkaars mening
en karakter.
Performing Een leer- en leefklimaat waarin plezier, rust en orde het
uitgangspunt zijn.
Activiteiten die uitnodigen tot samenwerking.
Een leraar die ieders talent tot bloei laat komen;
Adjourning Een leraar die leerlingen voorbereidt op het naderend afscheid.
Een pedagogisch klimaat waarin de sfeer tot aan het eind
plezierig is.
Een leraar die regelmatig met zijn leerlingen praat, de groep observeert en de uitslagen van
een sociogram interpreteert, zal in staat moeten zijn te bepalen welke specifieke
onderwijsbehoeften een groep heeft.
H5
Sociaal-emotioneel leren (SEL) is het ontwikkelingsproces waarmee je fundamentele
levensvaardigheden verwerft. Het betreft vaardigheden waarmee we onszelf, onze
vriendschappen en ons werk effectief en moreel verantwoord kunnen vormgeven.
Competenties bij sociaal-emotioneel leren:
Self-awareness: besef hebben van jezelf
Je eigen gevoelens kunnen inschatten