‘Ons strafrecht 1’
H1
Het materiele strafrecht regelt in welke gevallen een persoon vanwege de staat kan worden
gestraft en welke sancties dan mogen worden opgelegd (verbodsbepalingen en
strafbedreigingen). Het formele strafrecht heeft betrekking op de wijze waarop in een
concreet geval moet worden vastgesteld of de strafwet is overtreden en of een bepaald
persoon deswege dient te worden gestraft (procedure). Artikel 16 van de grondwet zegt dat
strafbaarstellingen een basis moeten hebben in een wet in formele zin (nulla- poena
beginsel). Bij krenkingsdelicten gaat het voornamelijk om gedragingen die een directe
inbreuk maken op een beschermd rechtsgoed. Precies beschreven inbreuken en
gedragingen zijn strafbaar; niet zozeer de achterliggende norm. Denk hierbij aan dood door
schuld (307 Sr) en diefstal (310 Sr). Gevaarzettingsdelicten zijn te onderscheiden in concrete
en abstracte delicten. Bij beide soorten is het niet vereist dat de gevaarlijke situatie zich ook
daadwerkelijk heeft voorgedaan. Bij concrete gevaarzettingsdelicten is het al voldoende dat
er een gevaarlijke situatie is geschapen, zoals 164 Sr, ‘het opzettelijk veroorzaken van gevaar
voor het spoorwegverkeer’. Abstracte gevaarzettingsdelicten verbieden gedragingen die
‘mogelijk’ tot schending van een rechtsgoed zouden kunnen leiden, ze werken preventief.
H2
De traditionele definitie van straf is het toebrengen van leed aan het slachtoffer (punitieve
sanctie). Het strafrecht moet beschouwd worden als een ultimum remedium (laatste
redmiddel). Er zijn absolute theorieën, relatieve theorieën en verenigingstheorieën. De
relatieve theorieën danken hun naam aan het feit dat zij een relatie leggen tussen de straf
en het daarmee nagestreefde doel.
H 3.1, 3.2.1 en 3.2.2
Nulla poena sine praevia lege poenali: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke strafbepaling. (Artikel 1 Sr).
Fon Feuerbach vatte zijn leer in drie stelregels op:
1. Iedere toepassing van straf kan slechts gebaseerd zijn op een voorafgegane strafwet.
2. De toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet met straf bedreigde
gedraging heeft plaatsgevonden.
3. De wettelijke met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg, dat de door de wet
daarop gestelde straf wordt toegepast.
Uit de nulla poena regel kunnen een viertal sub-regels worden afgeleid;
a. De straf moet berusten op een wet in formele zin
b. Het verbod van terugwerkende kracht
, c. Het Bestimmtheitsgebot (bepaaldheidsgebod/lex certa-beginsel), vage strafbepalingen
vermijden.
d. Het verbod van analogie
Vier methoden van uitleg van een wetsbepaling door de rechter:
1. Taalkundige/grammaticale uitleg: de rechter let hierbij op de gangbare betekenis van
een woord in het gewone taalgebruik of op het zinsverband.
2. Teleologische uitleg: de rechter kijkt hierbij naar de bedoeling van de wetgever of naar
de beginselen die de wetgever aan zijn bepalingen ten grondslag heeft gelegd, dan wel
naar de eisen die de samenleving stelt; daarbij kunnen verschillende uitkomsten
tevoorschijn komen, zodat een keuze moet worden gemaakt.
3. Systematische uitleg: hierbij laat de rechter de uitleg van een bepaling afhangen van het
systeem van de regeling waarin deze bepaling staat.
4. Historische uitleg: hierbij gaat de rechter voor de uitleg van een bepaling na wat
hierover is gezegd bij de totstandkoming van de wet (wetshistorisch), dan wel vroegere
regelingen in zijn exegese betrekt (rechtshistorisch).
Van een doleus misdrijf is sprake wanneer blijkens de delictsomschrijving opzet (dolus) is
vereist. Van een culpoos misdrijf is sprake als de delictsomschrijving schuld (culpa) verlangt.
In ons strafrecht geldt het beginsel ‘geen straf zonder schuld’ (melk en water-arrest).
Afwezigheid van alle schuld (avas) is een buitenwettelijke strafuitsluitingsgrond.
Schuld betekent verwijtbaarheid. Opzet is vereist voor doleuse delicten, schuld is vereist
voor culpose delicten en de schuld die altijd is vereist noemen we verwijtbaarheid.
H 4 (m.u.v. 4.5).
Er zijn drie algemene voorwaarden voor strafbaarheid
a. Er moet sprake zijn van een gedraging door een persoon (dieren kunnen niet worden
gestraft)
b. De gedraging moet wederrechtelijk zijn (in strijd met het recht)
c. De wederrechtelijke gedraging moet verwijtbaar zijn
Strafbare feiten zijn in de regel wederrechtelijk en verwijtbaar. Soms doet zich hier een
uitzondering voor, als de dader zich kan beroepen op een strafuitsluitingsgrond. Hierbij valt
de wederrechtelijkheid of verwijtbaarheid weg. Een rechtvaardigingsgrond neemt de
wederrechtelijkheid weg. Een schulduitsluitingsgrond neemt de verwijtbaarheid weg.
Onverbindend is een strafbepaling onder meer als zij niet berust op een wet in formele zin.
Niet-toepasselijkheid is een strafbepaling onder meer als zij nog niet van kracht was op het
tijdstip waarop het feit werd begaan. Een strafbaar feit is bij ons een feit waarvoor de dader
als regel kan worden gestraft.
H 5.1 en 5.2 en 5.3 (m.u.v. 5.3.7) en 5.4
Onder objectieve bestanddelen worden daarbij verstaan bestanddelen die betrekking
hebben op de vraag of de dader objectief, dat wil zeggen afgezien van de vraag of de dader