Rechtsbronnen:
- De wet
- Het verdrag = afspraak tussen één of meer landen
- Jurisprudentie = alle uitspraken van een rechter
- De gewoonte
Codificeren/codificatie = Een regel opnemen in de wet
Onderscheid in het recht
Wet in formele zin: op het hoogste niveau aangenomen (door de Staten-Generaal en de regering)
Wet in materiele zin: een recht die voor iedereen geldt
Publiek recht: het recht waarbij de overheid een bijzondere bevoegdheid heeft die burgers niet
hebben
Privaat recht: alles wat geen publiek recht is
Dwingend recht: waar je niet van mag afwijken (te herkennen aan “moet” “afwijking is nietig”)
Aanvullend/regelend recht: het recht waar je van af mag wijken
Publiek recht = dwingend
Privaat recht = dwingend en aanvullend/regelend
Objectief recht: al het recht in de algemeenheid
Subjectief recht: het recht in specifieke verhouding
Objectief subjectief
Formeel recht: procedure regels (hoe krijg ik mijn recht)
Materieel recht: inhoudelijke regels (welk recht heb ik)
Eigen richting = zelf voor rechtertje spelen, het recht in eigen handen nemen.
Notatie wetteksten:
Artikel. Boeknummer:artikelnummer(lid/sub) afkorting
Vb Art. 7:1 BW
Art. 7:3lid1 BW
Art. 7:3lid3 subc BW
Hoofdstuk 2
Verbintenis: een juridische relatie tussen 2 of meer personen, waarbij 1 een recht heeft en 1 een
plicht.
2 verbintenissen = wederkerige overeenkomst
1 verbintenis = eenzijdige overeenkomst (bv geschenk)
Bronnen verbintenis
- De wet
- Een overeenkomst
- Rechterlijke uitspraken
, Relatief recht: een recht dat je alleen tegenover één bepaald persoon/groep kunt uitoefenen.
Absoluut recht: een recht dat je tegenover iedereen kunt uitoefenen.
Eigendom revindiceren = eigendom terugeisen
Rechtsfeit = feit dat belangrijk is voor recht, recht op basis van een feit.
Waar je iets aan kan doen:
Niks aan kan doen: blote rechtsfeiten
Rechtsgevolg: gevolg dat belangrijk is voor recht, gevolg op van basis een recht
Rechtshandeling: handeling gericht op rechtsgevolg, de bedoeling tot rechtsgevolg.
Feitelijke rechtshandeling: handeling niet gericht op rechtsgevolg, normale handeling zonder
rechtsgevolg.
Feitelijke handeling met rechtsgevolg = wanneer het niet de bedoeling is.
Hoofdstuk 3
De overeenkomst
Aanvaarding van het aanbod overeenkomst sluiten
Vormvrije overeenkomst: alle manieren bespreekbaar, mondeling, schriftelijk en zwijgelijk.
Mondelinge overeenkomst leg je schriftelijk vast contract/akte
Contract = schriftelijke overeenkomst
Rechtshandeling = Wil + Verklaring
Wanneer wil =/ verklaring
Is overeenkomst nietig, door vergissing/misverstand.
Is overeenkomst vernietigbaar, bij een geestelijke stoornis.
Wilsvertrouwen: logische combinatie van wil en verklaring
Als de wederpartij erop mag vertrouwen dat de wil en de verklaring overeenstemmen.
Het wilsvertrouwen gaan boven andere oorzaak.
Aanbod = eenzijdige rechtshandeling
Aanvraag = eenzijdige rechtshandeling
Overeenkomst = aanbod + aanvraag = meerzijdige rechtshandeling
Vervallen aanbod kan niet aanvaard worden geen overeenkomst
Aanbod vervalt door:
- Verstrijking van tijd
- Verwerping
- Herroeping
Verstrijking van redelijke tijd = rechtvaardige tijd (meestal een week oid).