Sanctierecht Colleges
College 1 en 2 – de 5 perioden in het Nederlands sanctierecht.
I. Klassieke richting (wetboek van Strafrecht 1886)
II. Moderne richting (rond 1900)
III. Autoritaire opvattingen (jaren '20 en '30)
IV. Depenalisering (jaren '60 en '70)
V. Veiligheid en recidivepreventie (vanaf 1985)
Onderliggende theorie en grondslagen: rechtsgronden der bestraffing à doel en grondslag?
‘Het morele oordeel dat in de strafwaardigheid van bepaalde menselijke gedragingen nu
eenmaal – gewild of ongewild – besloten ligt, lijkt nergens anders in zó volle omvang en zó
precair aan de orde te zijn. Het opzettelijk toebrengen van leed van staatswege aan de
enkeling vergt – zo is historisch wel gebleken – minstens een solide rechtvaardiging, waarin
zowel morele en politieke uitgangspunten als mens- en maatschappijbeelden te herkennen
zijn.’
Hoe en waarom mag de overheid iemand sanctioneren? En hoe is dit te rechtvaardigen? Het
voornaamst genoemde doel van bestraffing is vergelding van het toegebracht leed en dit
moet op proportionele wijze aan de dader worden terug toegebracht, dit wordt ook wel
leedtoevoeging genoemd.
Ad I. Klassieke richting
Strafrechtstheorie ontwikkeld in de 17e/18e eeuw onder invloed van Verlichtingsdenkers als
Hobbes, Locke, Rousseau en Beccaria.
Achtergrond: reactie op het voorheen heersende ancien regime. Gericht op zodanige
hervorming van het strafrecht dat willekeurig overheidsoptreden en onnodig wrede
bestraffing zou voorkomen. De bestraffing in deze periode was erg willekeurig en diffuus. Er
was amper bescherming van de ‘nietige’ burger tegen de machtige overheid.
Uitgangspunt is de bescherming van de burger tegen inbreuken op haar persoonlijke vrijheid
en andere rechten door zowel medeburgers als overheid. Niet enkel strafrechtelijk
aansprakelijkheidstelling maar ook borging; welke straf kon men verwachten en hoe zag deze
er verder uit.
Klassieke vooronderstellingen met betrekking tot mens, dader en strafstelsel
• De rationele, calculerende dader:
Indeterministisch uitgangspunt van wilsvrijheid van de mens. Veronderstelling dat
iedereen gelijk is en rationeel redeneert. Men maakt een afweging van de voor en
nadelen. En men maakt deze afweging zelf.
• De instrumentele werking van de straf: generale preventie als primair strafdoel. Dit
werd verwezenlijkt door gedragsbeïnvloedende werking van de straf: Als de voordelen
groter zijn dan de nadelen, dan zal men het besluit nemen om het delict te plegen.
Men wilde derhalve een afschrikwekkend effect bereiken met het oog op generale
preventie. Dit zowel door de strafdreiging en concrete bestraffing.
, • De formele gelijkheid van de mens
Op basis van dit mensenbeeld was er geen behoefte en noodzaak aan op het individu
toegesneden strafbepalingen. Psychisch gestoorde daders, of jeugdigen hadden geen
bijzondere positie; iedereen is gelijk en iedereen dient hetzelfde te worden bestraft.
Getracht wordt een rationele grondslag te bieden voor het straffen, met als uitgangspunt het
maatschappelijk verdrag/ sociaal contract: burgers staan een deel van vrijheden af aan de
gemeenschap in ruil voor bescherming door de gemeenschap tegen inbreuken op hun rechten
en vrijheden. Omdat men een deel van de vrijheid inlevert biedt dit de overheid het recht om
op te treden.
Onderscheid tussen:
• Relatieve theorie (de grondslag van en rechtvaardiging voor het straffen wordt
gezocht in het te verwachten toekomstig preventief effect ervan. Preventie staat dus
centraal; straffen ‘opdat’. Erkende doelen zijn generale preventie; speciale preventie;
conflictoplossing. Link met de Moderne Richting. Beccaria / Bentham);
• Absolute theorie (de grondslag van en rechtvaardiging voor het straffen wordt
gezocht in het vergelden van schuld. Vergelding staat dus centraal; straffen ‘omdat’.
Kant).
In deze periode is men begonnen met het ontwikkelen van bepaalde beginselen. Dominante
plaats aan de strafwet in de Klassieke Richting. Voorbeeld artikel 1 SR.
Tweeledige functie toebedeeld aan de strafwet
a) Een maatschappelijke beheersingsfunctie: hét middel waarmee het strafrechtelijk
systeem op een doelmatige wijze haar generaal preventieve functie kon uitoefenen
b) Een machtsnormerende functie: door de wettelijke voorwaarden voor bestraffing zou
willekeurig overheidsoptreden worden voorkomen.
Hierin zou de garantie gelegen zijn van een optimale bescherming van de burger! Eenzelfde
tweeledige beschermende werking lag gelegen in het klassieke stelsel van rechtsbeginselen:
m.n. legaliteitsbeginsel!
Het wetboek van strafrecht van 1886 is bijna volledig op de klassieke uitgangspunten gestoeld.
Als men een misdaad pleegt dat moet het systeem voorstelbaar reageren.
De straf is gericht op vergelding:
• Straf omdat je dat verdient
• Maar nooit meer dan je verdient
• Op basis van het klassieke proportionaliteitsbeginsel altijd een bovengrens aan de
straf en de zwaarte van de straf moet evenredig zijn aan de mate van de individuele
delictschuld.
Tenuitvoerlegging van de straf:
• Pas na het onherroepelijk worden van de straf
• En deze is gericht op terugkeer in de samenleving
, Eenvoudig en uniform sanctiestelsel:
• Dit met oog op de vergelijkbaarheid; immers het klassieke gelijkheidsbeginsel. Men
wilde een uniform en overzichtelijk systeem: de ene misdadiger moest hetzelfde
worden bestraft als de andere. De zwaarste straffen zijn daarom bedoeld voor de
misdrijven en de boeten voor de overtredingen.
Concrete vormgeving wettelijk sanctiestelsel 1886:
• Gevangenisstraf voor misdrijven
• Hechtenis en geldboete (in beginsel) voor overtredingen
• Algemeen strafminimum (laag)
• Bijzondere strafmaxima
• Eenvormig strafstelsel; maatregel bestond bij uitzondering.
• Grote straftoemetingsvrijheid voor de rechter
De straffen werden gevormd door de gevangenisstraf en de (hechtenis) en boete. Toen is al
gekomen om niet bijzondere minima op te nemen. Wel is gekozen voor bijzondere
strafmaxima. Gevolg is grote vrijheid voor de rechter om de straf te bepalen. Deze vrijheid is
gelegen in de vereiste schuldevenredigheid à speelruimte voor de rechter. Tegenwoordig
zijn er een aantal factoren die deze ruimte invullen, toen misschien niet.
Strafstelsel: maatregel niet gericht op de vergelding maar gericht op de toekomst en dit
aspect is minder in te passen in de uitgangspunten van de klassieke richting.
Art. 9 Sr. (oud)
• Hoofdstraffen:
Gevangenisstraf, hechtenis, geldboete
Lid 2: cumulatieverbod (NB. thans vervallen!) dus geen gevangenisstraf plus een
geldboete.
• Bijkomende straffen:
Ontzetting van rechten, plaatsing in rijkswerkinrichting (NB. thans vervallen!),
verbeurdverklaring, openbaarmaking rechterlijke uitspraak.
Werken in de instelling bedoeld voor mensen waarvan men vond dat zij lui waren, dan moet
men maar gewoon gaan werken.
Art. 10 Sr. (oud)
Gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk à uitgangspunt is dat deze tijdelijk is tenzij de
wetgever expliciet heeft gesteld dat het levenslang kan worden opgelegd; specifieke gevallen
bij het delict opgenomen.
MvJ Modderman t.a.v. levenslang: “Ik heb die gehandhaafd - met bloedend hart (…) onze
maatschappij is voor de afschaffing nog niet rijp.” Duur van de tijdelijke straf: in beginsel max
15 jaar, maar soms max 20 jaar
(NB. thans 30 jaar!)
Art. 11 Sr. (oud)
De eerste vijf jaar een cellulaire tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf (‘in afzondering’)
1881-1885: bouw van dure, cellulaire gevangenissen, o.a. de koepelgevangenissen in Arnhem
(1882) en Breda (1883) uitgangspunt: eenzaam! Gericht op zedelijke verbetering: men
College 1 en 2 – de 5 perioden in het Nederlands sanctierecht.
I. Klassieke richting (wetboek van Strafrecht 1886)
II. Moderne richting (rond 1900)
III. Autoritaire opvattingen (jaren '20 en '30)
IV. Depenalisering (jaren '60 en '70)
V. Veiligheid en recidivepreventie (vanaf 1985)
Onderliggende theorie en grondslagen: rechtsgronden der bestraffing à doel en grondslag?
‘Het morele oordeel dat in de strafwaardigheid van bepaalde menselijke gedragingen nu
eenmaal – gewild of ongewild – besloten ligt, lijkt nergens anders in zó volle omvang en zó
precair aan de orde te zijn. Het opzettelijk toebrengen van leed van staatswege aan de
enkeling vergt – zo is historisch wel gebleken – minstens een solide rechtvaardiging, waarin
zowel morele en politieke uitgangspunten als mens- en maatschappijbeelden te herkennen
zijn.’
Hoe en waarom mag de overheid iemand sanctioneren? En hoe is dit te rechtvaardigen? Het
voornaamst genoemde doel van bestraffing is vergelding van het toegebracht leed en dit
moet op proportionele wijze aan de dader worden terug toegebracht, dit wordt ook wel
leedtoevoeging genoemd.
Ad I. Klassieke richting
Strafrechtstheorie ontwikkeld in de 17e/18e eeuw onder invloed van Verlichtingsdenkers als
Hobbes, Locke, Rousseau en Beccaria.
Achtergrond: reactie op het voorheen heersende ancien regime. Gericht op zodanige
hervorming van het strafrecht dat willekeurig overheidsoptreden en onnodig wrede
bestraffing zou voorkomen. De bestraffing in deze periode was erg willekeurig en diffuus. Er
was amper bescherming van de ‘nietige’ burger tegen de machtige overheid.
Uitgangspunt is de bescherming van de burger tegen inbreuken op haar persoonlijke vrijheid
en andere rechten door zowel medeburgers als overheid. Niet enkel strafrechtelijk
aansprakelijkheidstelling maar ook borging; welke straf kon men verwachten en hoe zag deze
er verder uit.
Klassieke vooronderstellingen met betrekking tot mens, dader en strafstelsel
• De rationele, calculerende dader:
Indeterministisch uitgangspunt van wilsvrijheid van de mens. Veronderstelling dat
iedereen gelijk is en rationeel redeneert. Men maakt een afweging van de voor en
nadelen. En men maakt deze afweging zelf.
• De instrumentele werking van de straf: generale preventie als primair strafdoel. Dit
werd verwezenlijkt door gedragsbeïnvloedende werking van de straf: Als de voordelen
groter zijn dan de nadelen, dan zal men het besluit nemen om het delict te plegen.
Men wilde derhalve een afschrikwekkend effect bereiken met het oog op generale
preventie. Dit zowel door de strafdreiging en concrete bestraffing.
, • De formele gelijkheid van de mens
Op basis van dit mensenbeeld was er geen behoefte en noodzaak aan op het individu
toegesneden strafbepalingen. Psychisch gestoorde daders, of jeugdigen hadden geen
bijzondere positie; iedereen is gelijk en iedereen dient hetzelfde te worden bestraft.
Getracht wordt een rationele grondslag te bieden voor het straffen, met als uitgangspunt het
maatschappelijk verdrag/ sociaal contract: burgers staan een deel van vrijheden af aan de
gemeenschap in ruil voor bescherming door de gemeenschap tegen inbreuken op hun rechten
en vrijheden. Omdat men een deel van de vrijheid inlevert biedt dit de overheid het recht om
op te treden.
Onderscheid tussen:
• Relatieve theorie (de grondslag van en rechtvaardiging voor het straffen wordt
gezocht in het te verwachten toekomstig preventief effect ervan. Preventie staat dus
centraal; straffen ‘opdat’. Erkende doelen zijn generale preventie; speciale preventie;
conflictoplossing. Link met de Moderne Richting. Beccaria / Bentham);
• Absolute theorie (de grondslag van en rechtvaardiging voor het straffen wordt
gezocht in het vergelden van schuld. Vergelding staat dus centraal; straffen ‘omdat’.
Kant).
In deze periode is men begonnen met het ontwikkelen van bepaalde beginselen. Dominante
plaats aan de strafwet in de Klassieke Richting. Voorbeeld artikel 1 SR.
Tweeledige functie toebedeeld aan de strafwet
a) Een maatschappelijke beheersingsfunctie: hét middel waarmee het strafrechtelijk
systeem op een doelmatige wijze haar generaal preventieve functie kon uitoefenen
b) Een machtsnormerende functie: door de wettelijke voorwaarden voor bestraffing zou
willekeurig overheidsoptreden worden voorkomen.
Hierin zou de garantie gelegen zijn van een optimale bescherming van de burger! Eenzelfde
tweeledige beschermende werking lag gelegen in het klassieke stelsel van rechtsbeginselen:
m.n. legaliteitsbeginsel!
Het wetboek van strafrecht van 1886 is bijna volledig op de klassieke uitgangspunten gestoeld.
Als men een misdaad pleegt dat moet het systeem voorstelbaar reageren.
De straf is gericht op vergelding:
• Straf omdat je dat verdient
• Maar nooit meer dan je verdient
• Op basis van het klassieke proportionaliteitsbeginsel altijd een bovengrens aan de
straf en de zwaarte van de straf moet evenredig zijn aan de mate van de individuele
delictschuld.
Tenuitvoerlegging van de straf:
• Pas na het onherroepelijk worden van de straf
• En deze is gericht op terugkeer in de samenleving
, Eenvoudig en uniform sanctiestelsel:
• Dit met oog op de vergelijkbaarheid; immers het klassieke gelijkheidsbeginsel. Men
wilde een uniform en overzichtelijk systeem: de ene misdadiger moest hetzelfde
worden bestraft als de andere. De zwaarste straffen zijn daarom bedoeld voor de
misdrijven en de boeten voor de overtredingen.
Concrete vormgeving wettelijk sanctiestelsel 1886:
• Gevangenisstraf voor misdrijven
• Hechtenis en geldboete (in beginsel) voor overtredingen
• Algemeen strafminimum (laag)
• Bijzondere strafmaxima
• Eenvormig strafstelsel; maatregel bestond bij uitzondering.
• Grote straftoemetingsvrijheid voor de rechter
De straffen werden gevormd door de gevangenisstraf en de (hechtenis) en boete. Toen is al
gekomen om niet bijzondere minima op te nemen. Wel is gekozen voor bijzondere
strafmaxima. Gevolg is grote vrijheid voor de rechter om de straf te bepalen. Deze vrijheid is
gelegen in de vereiste schuldevenredigheid à speelruimte voor de rechter. Tegenwoordig
zijn er een aantal factoren die deze ruimte invullen, toen misschien niet.
Strafstelsel: maatregel niet gericht op de vergelding maar gericht op de toekomst en dit
aspect is minder in te passen in de uitgangspunten van de klassieke richting.
Art. 9 Sr. (oud)
• Hoofdstraffen:
Gevangenisstraf, hechtenis, geldboete
Lid 2: cumulatieverbod (NB. thans vervallen!) dus geen gevangenisstraf plus een
geldboete.
• Bijkomende straffen:
Ontzetting van rechten, plaatsing in rijkswerkinrichting (NB. thans vervallen!),
verbeurdverklaring, openbaarmaking rechterlijke uitspraak.
Werken in de instelling bedoeld voor mensen waarvan men vond dat zij lui waren, dan moet
men maar gewoon gaan werken.
Art. 10 Sr. (oud)
Gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk à uitgangspunt is dat deze tijdelijk is tenzij de
wetgever expliciet heeft gesteld dat het levenslang kan worden opgelegd; specifieke gevallen
bij het delict opgenomen.
MvJ Modderman t.a.v. levenslang: “Ik heb die gehandhaafd - met bloedend hart (…) onze
maatschappij is voor de afschaffing nog niet rijp.” Duur van de tijdelijke straf: in beginsel max
15 jaar, maar soms max 20 jaar
(NB. thans 30 jaar!)
Art. 11 Sr. (oud)
De eerste vijf jaar een cellulaire tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf (‘in afzondering’)
1881-1885: bouw van dure, cellulaire gevangenissen, o.a. de koepelgevangenissen in Arnhem
(1882) en Breda (1883) uitgangspunt: eenzaam! Gericht op zedelijke verbetering: men