Prestatiepsychologie 1 Hoofdstuk 3 Sportpsychologie (Bakker en Oudejans)
Attributie
Waaraan worden gedragingen en uitkomsten van die gedragingen toegeschreven?
Twee soorten:
1. Over eigen gedrag en dat van anderen
2. Over uitkomsten gedrag in situaties waarin prestatie wordt geleverd
Drie systematische attributiefouten
1. Fundamentele attributiefout: Alleen aandacht voor handelende persoon, niet of
nauwelijks voor situatie waarin hij zich bevindt. Daarnaast blijft de noodzakelijke
correctie achterwege tussen de eerste en de tweede ronde.
2. Self-confirming prophecy: Verklaringen voor gedrag en uitkomsten worden bepaald
door opvattingen over werkelijkheid en samenhang tussen gebeurtenissen. Oorzaak
ligt buiten jezelf/het ligt aan iets anders: ‘Scheids is een thuisfluiter’.
3. Self-serving bias: Je geeft een vertekenend beeld van de werkelijkheid, meestal ten
gunste van jezelf. Eigen successen komen dankzij jou.
Attributietheorie van Weiner
Twee dimensies:
1. Intern/extern-dimensie (plaats van oorzaak) -> Bekwaamheid en inspanning/inzet
2. Stabilisatiedimensie -> Taakmoeilijkheid en geluk
Weiner: Bij een handeling
Controleerbaar Oncontroleerbaar
Intern Extern
Stabiel Bekwaamheid Taakmoeilijkheid
Taakmoeilijkheid bij open
Variabel Inspanning/inzet Geluk
vaardigheden moeilijk te
definiëren: Minder stabiel
Variabele stabilisatie zorgt voor verschillende manieren van terugkijken
Weiner: bij een goed resultaat op de marathon
Controleerbaar Oncontroleerbaar
Intern Extern Intern Extern
Stabiel Goede conditie Snel parcours Talent Uitstekende
organisatie
Variabel Inzet Goede ‘hazen’ Dag van mijn Ideaal weer
leven
Gedachten en gevoelens
- Oorzaak succes door de persoon zelf (intern) -> Trots
- Oorzaak mislukking door persoon zelf (intern) -> Schuldgevoel, schaamte
Attributie
Waaraan worden gedragingen en uitkomsten van die gedragingen toegeschreven?
Twee soorten:
1. Over eigen gedrag en dat van anderen
2. Over uitkomsten gedrag in situaties waarin prestatie wordt geleverd
Drie systematische attributiefouten
1. Fundamentele attributiefout: Alleen aandacht voor handelende persoon, niet of
nauwelijks voor situatie waarin hij zich bevindt. Daarnaast blijft de noodzakelijke
correctie achterwege tussen de eerste en de tweede ronde.
2. Self-confirming prophecy: Verklaringen voor gedrag en uitkomsten worden bepaald
door opvattingen over werkelijkheid en samenhang tussen gebeurtenissen. Oorzaak
ligt buiten jezelf/het ligt aan iets anders: ‘Scheids is een thuisfluiter’.
3. Self-serving bias: Je geeft een vertekenend beeld van de werkelijkheid, meestal ten
gunste van jezelf. Eigen successen komen dankzij jou.
Attributietheorie van Weiner
Twee dimensies:
1. Intern/extern-dimensie (plaats van oorzaak) -> Bekwaamheid en inspanning/inzet
2. Stabilisatiedimensie -> Taakmoeilijkheid en geluk
Weiner: Bij een handeling
Controleerbaar Oncontroleerbaar
Intern Extern
Stabiel Bekwaamheid Taakmoeilijkheid
Taakmoeilijkheid bij open
Variabel Inspanning/inzet Geluk
vaardigheden moeilijk te
definiëren: Minder stabiel
Variabele stabilisatie zorgt voor verschillende manieren van terugkijken
Weiner: bij een goed resultaat op de marathon
Controleerbaar Oncontroleerbaar
Intern Extern Intern Extern
Stabiel Goede conditie Snel parcours Talent Uitstekende
organisatie
Variabel Inzet Goede ‘hazen’ Dag van mijn Ideaal weer
leven
Gedachten en gevoelens
- Oorzaak succes door de persoon zelf (intern) -> Trots
- Oorzaak mislukking door persoon zelf (intern) -> Schuldgevoel, schaamte