Hoofdstuk 3 samenvatting:
Marktsegmenten =
- Groepen consumenten die dezelfde behoeftes en wensen hebben.
Marktsegmentatie = het indelen in groepen van consumenten met bijv. dezelfde wensen en
behoeften.
Indelen van marktsegmentatie kan in 4 verschillende groepen:
1. Geografisch: waar komt de klant vandaan
2. Demografisch: gegevens over klanten: leeftijd, gewicht, woonplaats
3. Sociaaleconomisch: hoe het is gesteld met welzijn: veel of weinig geld?
4. Psychografische: persoonlijkheid en levensstijl: gezonde levensstijl?
Koopgedrag = alles wat een klant doet en zegt bij het kiezen, kopen, gebruiken en vervangen van
producten.
Door de komst van internet is het gedrag van consumenten sterk veranderd:
- Consument bepaalt zelf wanneer hij koopt
- Bedrijven kunnen klantgedrag beter in de gaten houden door de verkoopcijfers.
Marktfragmentatie = binnen een marktsegmentatie verschillende doelgroepen kiezen.
Je kiest bijv. voor consumenten die goede kwaliteit producten willen hebben voor een lage prijs. Dan
kun je binnen deze marktsegmentatie je richten op verschillende doelgroepen: jong en oud.
Geconcentreerde marketingstrategie = als een winkel kiest voor 1 of een paar segmenten
Selectieve marketingstrategie = als een winkel zich op meerdere segmenten / doelgroepen richt.
Volledige marktdekking strategie = als het niet belangrijk is om je te richten op meerdere
doelgroepen. Bijv. als je suiker of melk verkoopt: is het niet belangrijk, want iedereen heeft deze
producten toch nodig en koopt het dus toch wel.
, Nichestrategie = als je je richt op een klein deel van de markt, die grote bedrijven links laten liggen.
Je kunt je doelgroep in 2 verschillende groepen indelen: hoofdgroep en subgroep.
Hoofdgroep = groep waarbij het product het meest aansluit.
Subgroep = groep waarvoor het product ook beschikbaar is, maar minder als de hoofdgroep.
Doelgroepen kun je ook segmenteren: indelen. Bijv. hoe snel de doelgroep het product koopt.
Directe concurrenten = bedrijven die dezelfde producten aanbieden
Indirecte concurrenten = bedrijven die soort andere producten aanbieden maar wel met dezelfde
behoeften / wensen die de klant heeft.
Verzorgingsgebied = waar de klanten van je product wonen
Kengetallen = laten zien hoe je bedrijf er voor staat.
Omzetkengetallen = getallen van je omzet. Hoeveel omzet is er gemaakt?
Begrippen:
Benchmarking = vergelijken van jouw bedrijf met andere bedrijven in dezelfde tak. Zo het
verschil te verkleinen van bijv. omzet
Bevolkingspotentieel = aantal klanten van een verzorgingsgebied (waar je klanten wonen)
Cognitieve dissonantie = ongemak na een conflict na de aankoop
Concurrentieonderzoek = onderzoek waarin je uitzoekt wat de sterke en zwakke punten zijn
van je concurrenten en onderzoeken hoe jouw bedrijf er voor staat.
Consumentenvertrouwen = informatie over het vertrouwen / verwachtingen van
consumenten
Culturele segmentatie = indelen van de markt op basis van cultuur: ras, geloof
Doelgroep = hier richt je je op: de doelgroep moet je product gaan kopen
Early adopters = consumenten die wat kritischer zijn met een aankoop: ze zijn afwachend,
maar willen wel snel een nieuw goed product hebben.