Verzorgingsinstellingen, Verhagen, hoofdstuk 10.1 ontstaan en ontwikkeling van verzorgingsstaten
4 vragen staan centraal:
- Hoe is de opkomst van verzorgingsstaten te verklaren?
- Hoe hangt de ontwikkeling van de verzorgingsstaat samen met verschuivingen in de sociale
gelijkheid?
- Waarin onderscheiden de verzorgingsstelsels van verschillende landen zich van elkaar?
- Wat is kenmerkend voor de ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat?
10.1.1 voorwaarden voor het ontstaan van verzorgingsstaten
Vroeg formeel geregelde verzorgingsinstellingen waren gericht op hulpverlening in noodsituaties.
Mensen die in geval van nood niet terug konden vallen op familieleden of buren en niet over de
middelen beschikten om op de vrije markt diensten van hulpverleners te kopen, waren aangewezen
op de eenzijdige goedgeefsheid van anderen, particulieren of instellingen. Overheidssteun was het
allerlaatste redmiddel wanneer hulp van kerken, verenigingen of particulieren onvoldoende waren.
Mensen kwamen pas voor ‘bedeling’ in aanmerking als een beroep bij familie of anderen had
gefaald. Door latere uitbreiding en verstatelijking van verzorgingsinstellingen gingen meer mensen
een beroep doen op de instellingen. Tegenwoordig is iedereen betrokken bij de bekostiging van
overheidsvoorzieningen.
Het begin van de ontwikkeling naar moderne verzorgingsstaten is situeren in de 2 e helft van
de 19e eeuw, wanneer de eerste sociale wetten (op gebeid van arbeidsverhoudingen en sociale
uitkeringen) worden aangenomen en overheidsbemoeienis op gebied van onderwijs en
gezondheidszorg groter wordt. Pas na de tweede wereldoorlog wordt de overheidszorg zo breed en
veelomvattend dat de term ‘verzorgingsstaat’ (welfare state) gebruikt werd, als aanduiding van een
stelsel waarin de overheid zich garant stelt voor noodzakelijk geachte materiële en immateriële
voorzieningen voor alle burgers.
De volgende vragen vormen het uitgangspunt van een studie naar het ontstaan van
verzorgingsstaten:
- Hoe zijn mensen erin geslaagd om collectieve, dwingende en de gehele natie omspannende
verzorgingsarrangementen te ontwikkelen?
- Hoe kwamen mensen tot die ‘collectieve actie’, terwijl de tegenslagen die ze ermee wilden
bestrijden zich veelal aan hen voordeden als persoonlijke ellende?
In de studie combineert de Swaan verschillende theoretische perspectieven: een historisch-
sociologische benadering, Olsons theorie van collectieve actie en inzichten van de ‘welfare
economics’. Aan die laatste benadering ontleent hij het begrip externe effecten; de indirecte
gevolgen die iemands tegenslagen en gebreken hebben voor anderen die niet onmiddellijk zijn
getroffen. Mensen hebben last van elkaars ellende, de invaliditeit van de een vormt een belasting of
bedreiging voor de ander (de armoede van de een bedreigt de rijkdom van de ander). De externe
effecten krijgen verder bereik als de interdependentieketens (onderlinge samenhang-ketens) langer
worden en meer mensen gaan omvatten. Samenwerking wordt belemmerd oor de angst dat anderen
van collectieve voorzieningen zullen profiteren zonder daaraan zelf bij te dragen en dat eigen
bijdragen geen effecten zullen hebben. Dit is het paradox van de collectieve actie; iedereen heeft
belang bij de actie, maar tegelijk verhindert ieders directe eigenbelang dat deze tot stand komt. Het
doorbreken van de paradox was lastig doordat centrale coördinerende instanties ontbraken. Het
,lukte toch door het manipuleren van verwachtingen.
Naarmate staten en naties verder ontwikkelden kregen staatsinstellingen een belangrijke rol
in het scheppen van collectieve zorginstellingen. Alleen door overheidsdwang konden
verzorgingsinstellingen worden gerealiseerd met een reikwijdte die alle mensen omvatte.
Deze collectivisering en verstatelijking van verzorgingsarrangementen kan worden bekeken in
termen van de 4 bindingen. Het zijn in de eerste plaats economische veranderingen war de
ontwikkeling van de verzorgingsstaat mee samenhangt. Met industrialisatie kwamen veel mensen
losser te staan van hun familie en buren en kregen ze meer te maken met mensen buiten hun eigen
kring van bekenden; ze konden minder terugvallen op informele verzorgingsrelaties. De groei van
bedrijven veranderden ook de relaties tussen werkgever en werknemers; die werden zakelijker en
onpersoonlijker en ze verloren hun beschermende karakter. De angst voor epidemieën en
verstoringen van de openbare orde, en het sociale gevoel iets aan die sociale kwestie te doen,
werden sterker. De mogelijkheden daartoe waren groter, naarmate productie ten gevolge van
industrialisatie verder steeg. Het werd gemakkelijker een deel van de lonen voor sociale premies te
reserveren en belastingen voor stijgende overheidsuitgaven te heffen. De omvang van de uitgaven
voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale uitkeringen als percentage van het nationaal inkomen
correleert positief met het welvaartsniveau van een land.
Uitbreiding van de overheidszorg heeft ook te maken met politieke veranderingen. De
vorming van nationale eenheidsstaten was een voorwaarde voor de opkomst van verzorgingsstaten.
Tegelijk met de uitbreiding van overheidszorg vond ook centralisering ervan plaats: regelingen en
financiering op lokaal (gemeenschappelijk) niveau werden steeds meer door centrale overheid
overgenomen en in nationale kaders ingepast. Een belangrijke stimulans voor de groei van
overheidsbemoeienis was de toenemende rivaliteit tussen staten, resulterend in twee
wereldoorlogen. In en kort na deze oorlogen breidde de staatszorg zich in versneld tempo uit, wat
verklaard kan worden uit het feit dat vooral in die perioden de politieke elite er veel aan gelegen was
de bevolking voor nationale doelen te mobiliseren en de nationale integratie te bevorderen. Door het
hanteren van universele, voor iedereen geldende, regels werd het voor burgers makkelijker om eisen
die aan hen in oorlogstijd werden gesteld te accepteren.
Met de economische en politieke bindingen veranderden ook de affectieve bindingen tussen
mensen. Oude loyaliteiten ten opzichte van lokale samenlevingsverbanden verdwenen of werden
minder belangrijk en mensen gingen zich identificeren met de natie als geheel. Dit inzicht in het
verband tussen hun eigen lot en de gang van zaken in grotere samenlevingsverbanden, deze
identificatie op nationaal niveau, was een voorwaarde voor het ontstaan van de bereidheid om bij te
dragen aan collectieve voorzieningen.
In cognitief opzicht gaat de vorming van de verzorgingsinstellingen samen met de
vermeerdering en specialisatie van kennis. Meer beroepsgroepen krijgen een professioneel karakter;
ze verzorgen een eigen opleiding voor aankomende beroepsbeoefenaars. In dit proces van
professionalisering treden de verschillende beroepsgroepen ten opzichte van de overheid als
pressiegroepen op en trachten ze hun werkterrein uit te breiden.
10.1.2 verzorgingsstaat en sociale gelijkheid
Opkomst van verzorgingsinstellingen is niet los te zien van ontwikkeling in de sociale ongelijkheid.
Machtsverschuivingen zijn voorwaarden geweest voor de collectivisering en verstatelijking van de
armoedebestrijding, het onderwijs en de gezondheidszorg. De machtskansen van de lagere klassen
stegen, waardoor hun aanspraken op collectieve voorzieningen zich uitbreidden. Omgekeerd droeg
de uitbreiding van deze voorzieningen tot vermindering van de sociale ongelijkheid bij, al was dat
niet in alle opzichten het geval. Zo profiteren de meer daadkrachtige gezinnen onevenredig van
,onderwijsvoorzieningen en van subsidies aan culturele instellingen als musea en theater; ook wel het
‘Mattheuseffect’. Vernoemd naar een passage uit het Evangelie van Mattheus: aan wie heeft zal
gegeven worden. Op andere gebieden heeft de collectivisering en verstatelijking een egaliserend
effect op de klassenverhoudingen gehad. Wel heeft ze verzorgingsstaat met de komst van
immigranten zonder vaste verblijfsvergunning tot nieuwe vormen van ongelijkheid geleid. De rechten
op zorg en ondersteuning zijn voor deze immigranten niet van kracht.
Ook machtsverhoudingen in gezinnen zijn beïnvloed. Door kinderwetten, jeugdzorg en
uitbreiding van het onderwijs en de sociale zekerheid hebben kinderen en jongeren aan macht en
zelfstandigheid ten opzichte van hun ouders gewonnen. Uitbreiding van sociale zekerheid heeft ook
gehuwde vrouwen minder afhankelijk van hun echtgenoten gemaakt.
De relaties tussen verzorgers en verzorgden is ook veranderd. In informele situaties worden
verzorgingsrelaties veelal gekenmerkt door een hoge mate van gelijkheid en wederkerigheid. Soms
wordt verzorging gekocht; er is dan sprake van een machtsoverwicht. Waar het de verzorgden echter
aan voldoende materiële middelen ontbreekt, zijn zij in veel gevallen aangewezen op de
liefdadigheid van meer welgestelde en machtiger personen. Het is deze ongelijkheid die met de
vorming en uitbreiding van de verzorgingsstaat is verminderd. Waar verzorging in wetten werd
verankerd en zich zo van gunst tot recht ontwikkelde, werden verzorgden minder eenzijdig van
verzorgers afhankelijk.
10.1.3 typen verzorgingsstaten
De eerste verplichte sociale verzekeringen werden door een conservatieve regering doorgevoerd. In
Nederland kwamen de eerst sociale wetten onder liberale regeringen tot stand. Het
socialezekerheidsstelsel werd hier in de 20 e eeuw uitgebreid door regeringen van overwegend
christelijke signatuur, vervolgens in de oorlog door de Duitse bezettingsmacht die het stelsel
aanpaste aan dat van nazi-Duitsland en na de oorlog door coalitiekabinetten van achtereenvolgens
christelijk-socialistische en christelijk-liberale samenstelling. De uitbreiding van de overheidszorg is in
staten met verschillende politieke regimes en door regeringen van verschillende politieke signatuur
tot stand gebracht, waarbij verschillende motieven zijn opgevoerd. Voor socialisten stonden de
belangen van de arbeidersklasse en rechtvaardiger sociale verhoudingen voorop, bij de liberale,
conservatieve en christelijke politici stonden de klassentegenstellingen verzachten en de
maatschappelijke integratie bevorderen voorop.
Er bestaan tussen verzorgingsstaten belangrijke verschillen in de aard en betekenis van
overheidszorg. De omvang van de uitgaven voor social zorg correleert met het welvaartsniveau van
een land, maar dat is niet overal. Daarnaast verschillen verzorgingsstaten ook in hun
verzorgingsregimes: de wijze waarop sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg georganiseerd
zijn, de regels die bepalen welke personen op grond van welke criteria voor welke voorzieningen in
aanmerking komen.
De verschillen zijn onderzocht door Esping-Andersen. Theoretisch uitgangspunt van zijn visie
op de verzorgingsstaat is het model van de zuivere kapitalistische samenleving, waarin sprak is van
een hoge mate van commodificatie: goederen worden geproduceerd voor de markt en ook de
arbeidskracht is een verhandelbare grootheid. Doordat besloten kleien gemeenschappen waarop
mensen terug konden vallen verzwakt werden door kapitalisme, hebben mensen binnen
verzorgingsstaten recht op materiële overheidssteun, waardoor zij zich tot op en zekere hoogte
kunnen onttrekken aan de werking van de markt: er is sprake van decommodificatie. De mate van
decommodificatie varieert in samenhang met de aard van het verzorgingsregime.
Esping-Andersen onderscheidt 3 typen verzorgingsregimes;
, 1. Liberale stelsel: relatief veel ruimte aan de markt. Voorzingen zijn minimaal, steun die
mensen ontvangen is laag en grotendeel beperkt tot specifieke categorieën behoeftigen,
waardoor stigmatisering wordt bevorderd. Decommodificatie-effecten zijn gering.
2. Corporatistisch type: de sociale rechten van mensen zijn gekoppeld aan status en klasse. Het
handhaven van traditionele familieverhoudingen vormt een belangrijke waarde.
Verzorgingsregelingen zijn erop gericht om vaders de taak van kostwinner te laten vervullen
en moeder vrij te stellen van loonarbeid.
3. Sociaaldemocratisch model: universalisme, gelijke rechten voor iedereen. Uitkeringen zijn
hoog en gelden voor brede lagen van de bevolking. Gelijkheid wordt nagestreefd, wel is er
verband tussen eerdere verdiensten als werknemer. Onafhankelijkheid van individuen wordt
bevorderd. Overheid neemt groot deel van de zorg voor kinderen en bejaarden op zich en
stimuleert buitenshuis werken van gehuwde vrouwen met kinderen.
Sinds jaren 80 zijn veel veranderingen in liberale richting doorgevoerd: uitkeringsniveaus verlaagd,
toegang tot uitkeringen beperkt, sommige voorzieningen geprivatiseerd. Financieringsproblemen
brachten overheden tot bezuinigingsmaatregelen. Desondanks is de omvang van verzorgingsuitgaven
in de meeste landen niet gedaald de vraag naar diverse voorzieningen nam toe.
Om de voorzieningen te blijven bekostigen wordt tegenwoordig een verhoging van d e
arbeidsparticipatie van de gehele volwassen bevolking nagestreefd, waaronder met name van
vrouwen, jonge schoolverlaters, ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Een reden voor deze
welfare naar workfare is gelegen in het feit dat gezinnen minder stabiel zin geworden, zodat
individuen minder kunnen rekenen op het inkomen van een kostwinner. De verzorgingsstaat is
minder gericht op decommodificatie van arbeid en meer op het beiden van diensten die het
volwassenen mogelijk maken om betaalde arbeid te verrichten (door bijv. kinderopvang).
10.1.4 ontwikkeling van de Nederlandse verzorgingsstaat
Door de grote en langdurige invloed van christelijke partijen heeft het verzorgingsregime hier een
sterk corporatistisch karakter gekregen, hoewel sociaaldemocratische en liberale elementen niet
ontbreken. De traditionele grote invloed van christelijke organisaties blijkt ook uit de verzuiling op de
verzorgingsstaat heeft achtergelaten. Veel verzorging werd uitgevoerd door formeel particuliere
organisaties met een godsdienstige of ideologische binding die in een wettelijk kader waren ingepast
en die door de overheid gesubsidieerd werden of geld uit wettelijk verplichte verzekeringen
ontvingen. In de laatste decennia van de 19 e eeuw kwamen de instellingen steeds sterker onder
invloed van confessionele organisaties. De verzuiling end e uitbreiding van overheidszorg voltrokken
zich gelijktijdig en in onderlinge verwevenheid, en gaven daarmee de Nederlandse verzorgingsstaat
een eigen karakter.
De macht van confessionele zuilen was in 1960 op haar hoogtepunt. Een achtergrond van
deze ontwikkeling is ontkerkelijking. Een andere factor is voortgaande verstatelijking. Enerzijds
profiteerden de particuliere verzorgingsinstellingen van de toenemende overheidssubsidies,
anderzijds werden ze meer van de overheid afhankelijk.
De verzuiling is nu nog zichtbaar in Nederlands onderwijs. Eind 19 e eeuw vergrootte de overheid haar
greep op de inhoud van het onderwijs. Het openbare onderwijs verloor zijn godsdienstige stempel.
Hierdoor werd een groot aantal bijzondere, godsdienstige lagere scholen opgericht. Er waren steeds
striktere overheidsvoorschriften voor het onderwijs van kracht., ook voor scholen die uit particulier
middelen werden bekostigd. De voorschriften ondergroeven op die manier de door religieuze
groepen zo gewenste autonomie. Bijzondere scholen kwamen niet in aanmerking voor subsidies. De
confessionelen streefden daarom naar volledige subsidiëring met een minimum aan
overheidsinmenging. Dit zorgde voor de schoolstrijd. In 1920 werd de financiële gelijkstelling van