Literatuur: Matlin (hst 7), Sternberg (hst 7)
Eigenschappen van visual imagery (vignet A)
Mental imagery: de mentale representatie van stimuli wanneer deze stimuli niet fysiek
aanwezig zijn. Het vormen van een mentaal beeld hangt volledig af van top-down
processing. Je kunt een mentaal beeld vormen van elke zintuigelijke ervaring. Het meeste
onderzoek focust op visual imagery: de mentale representatie van visuele stimuli.
Mental debate (Kosslyn): zijn onze mentale beelden gelijk aan perceptie (using an analog
code) of zijn ze gelijk aan taal (using a propositional code)? Twee theorieën:
Analog code = Dual-code theory (Paivio): stelt dat we zowel beeldvormige codes als verbale
codes gebruiken voor het representeren van informatie in ons hoofd. Deze twee codes
organiseren informatie naar kennis waar naar kan worden gehandeld, opgeslagen en later
opgehaald kan worden voor verder gebruik.
Volgens Paivio zijn mentale beelden analog codes: deze representaties zijn gelijk aan
de fysieke objecten die ze representeren. Vb. wanneer je een triangel ziet, zou de
fysieke relatie tussen de lijnen worden opgeslagen. Het mentale beeld ervan zou op
deze zelfde manier worden geregistreerd. De benadering stelt echter dat mensen
niet een letterlijk plaatje in hun hoofd hebben. Ook zouden bepaalde visuele details
niet altijd worden waargenomen, deze zullen daarom ook missen in het mentale
beeld van dit object.
Onze mentale representaties voor woorden zouden echter symbolic codes zijn: dit is
een vorm van kennis representatie dat willekeurig is aangewezen om ergens anders
voor te staan dan zichzelf.
Paivio stelde dat de verbale informatie anders wordt verwerkt dan de beeldvormige
informatie. Vb. twee visuele taken interfereren met elkaar (net als twee verbale
taken), maar een visuele taak en een verbale taak kunnen wel samengaan.
Steun voor analog code de functional-equivalence hypothesis stelt dat visueel inbeelden
functioneel gelijkwaardig is aan visuele perceptie. We zouden eerder beelden gebruiken dan
propositions in het representeren van concrete objecten die in gedachten kunnen worden
afgebeeld. Dit komt overeen met de analog code benadering.
Propositional code = Propositional theory: stelt dat we mentale representaties niet opslaan
in de vorm van beelden of enkel woorden. Onze mentale representaties zouden meer
overeenkomen met de abstracte, taal-achtige vorm van een proposition. Dit is de
onderliggende betekenis van een bepaalde relatie tussen concepten. Deze wordt niet
opgeslagen in specifieke woorden of in beelden, maar deze informatie wordt gecodeerd en
opgeslagen als propositions. Het lijkt dus niet op de originele stimulus. Als we de informatie
willen ophalen, kan je brein deze propositions weer recreëren tot de verbale of visuele vorm.
Onderzoek gaf de meeste steun voor de ‘analog code’. Echter zouden beide
benaderingen allebei deels correct kunnen zijn, afhankelijk van de specifieke taak.
, Onderzoek naar visual imagery – analog vs propositional (vignet A)
Visual imagery and distance
Image scanning (afstand tussen punten) onderzoek Kosslyn: liet zien dat mensen lange
tijd nodig hadden om een afstand te scannen tussen twee ver gescheiden punten op een
mentaal beeld van een map die ze hadden gecreëerd. Wanneer de punten dichterbij elkaar
lagen, scanden mensen de afstand veel sneller. Er is dus een lineaire relatie tussen de
afstand die gescand moet worden in een mentaal beeld en de hoeveelheid tijd die nodig is
om deze afstand te scannen. Dit komt overeen met de ‘analog benadering’, omdat hetzelfde
geldt voor fysieke objecten.
Kritiek experimenter expectancy: wanneer de verwachtingen van de onderzoeker
de uitkomsten van het experiment beïnvloeden. Echter is het experiment nogmaals
uitgevoerd met assistenten die niets wisten van de lineaire relatie, en de resultaten
waren hetzelfde als het eerdere onderzoek.
Image scaling (afstand/grootte van de afbeelding) onderzoek Kosslyn: participanten
moesten vier paren dieren inbeelden:
- Konijn en olifant
- Konijn en vlieg
- Konijn en vlieg in de grootte van een olifant
- Konijn en olifant in de grootte van een vlieg
Het duurde langer om de details van kleine objecten (ver weg) te beschrijven dan die van
grotere objecten (dichtbij). Oftewel, het duurt langer om te reageren op konijnen gepaard
met olifanten of vliegen in olifant-grootte dan om te reageren op konijnen gepaard met
vliegen of olifanten in vlieg-grootte. Dit is redelijk logisch, omdat als je naar een visueel
plaatje kijkt je ook meer details zou zien wanneer het object groter is (= analog code).
Visual imagery and shape
Met fysieke objecten doen mensen lang over het beslissen wanneer twee hoeken erg op
elkaar lijken. Wanneer de twee hoeken verschillend zijn, reageren mensen sneller. Hetzelfde
patroon werd gevonden voor visueel inbeelden (komt overeen met analog code):
Onderzoek Paivio: mensen moesten mentale klokken inbeelden en bepalen welke
van de twee tijden een kleinere hoek aangaven. Bij de tijden 3:20 en 7:25 deden
mensen langer over het beslissen, omdat de hoeken redelijk gelijk zijn aan elkaar.
Hun beslissingen waren echter veel sneller wanneer de hoeken zeer verschillende
groottes hadden (vb. 3:20 en 7:05).
Visual imagery and interference
Je mentale beeld zou kunnen interfereren met je visuele perceptie. Vb. onderzoek Segal &
Fusella: participanten moesten een visueel beeld creëren van een boom. Vervolgens werd
een fysieke stimulus gepresenteerd, zoals een kleine blauwe pijl. Uit de resultaten blijkt dat
mensen meer moeite hadden met het detecteren van de fysieke stimulus wanneer het