1. BASISBEGRIPPEN
Geslacht
o Geslachtschromosomen
Man: XY
Vrouw: XX
Gender
o Binair (man en vrouw), niet-binair (wat buiten man en vrouw valt)
o Cisgender (gender = geslacht), transgender (gender ≠ geslacht)
Gonaden of geslachtklieren: organen die gameten en geslachthormonen
aanmaken (teelballen of eierstokken)
Gameten of geslachtcellen: bij man zijn dat de zaadcellen, bij de vrouw de
oöcyten.
o Haploïd (23 chromosomen) of Diploïd (46 chromosomen)
Geslachtshormonen: hormonen die bepaalde functies in voortplantingsstelsel
activeren
Bevruchting: samensmelten van de gameten
o Hieruit ontstaat zygote (is diploïd dus 46 chromosomen)
, 2. HET MANNELIJKE VOORTPLANTINGSSTELSEL
= tractus genitalis
Bestaat uit volgende organen:
2 teelballen of testes
2 bijballen of epididymides
2 zaadleiders of ductus deferentes of vas deferens (vasectomie = knippen van
zaadleiders)
2 ejaculatiekanalen
1 urinebuis of urethra
Testes zijn opgehangen aan abdominale wand via zaadstreng of funiculus
spermaticus. Zaadstreng loopt doorheen lieskanaal of canalis inguinalis.
Accessoire organen die het vloeibare deel van het sperma aanmaken:
2 zaadblaasjes of vesiculae seminales
1 prostaat
2 cowperklieren of glandulae bulbourethrales
Uitwendige geslachtorganen:
Penis
Scrotum
2.1 TRACTUS GENITALIS
A. TESTES
250 lobben of lobulen
In elke lobule 1-4 sterk opgerolde kanaaltjes: testisbuisjes
3 belangrijke celsoorten
Anatomie Pagina 2 van 13