Hoofdstuk 1 - een nieuwe blik op jongeren
Je leeftijd zegt niet alleen iets over lichamelijke ontwikkeling en gesteldheid, maar in de
maatschappij geldt het ook als belangrijk organisatieprincipe dat aangeeft wat social gezien
mogelijk, toelaatbaar en wenselijk is. Met leeftijd hangt ook de ontwikkeling van psychische
vermogens samen. Naarmate jongeren ouder worden, nemen die vermogens toe, en
wanneer het levenseinde nadert, nemen deze vermogens weer af.
Er wordt vaak gedacht in ontwikkelingsstadia. Kinderen moeten in een stadium
ontwikkelingstaken tot een goed einde brengen om over te kunnen gaan naar een volgend
stadium. Hier is de laatste tijd veel kritiek op gekomen. Uit onderzoek bleek dat deze stadia
niet star gevolgd konden worden.
Het stadiumdenken heeft de laatste jaren met dank aan de neurowetenschappen nieuwe
inzichten opgeleverd. Door onder andere de MRI-scan is het mogelijk vast te stellen welke
hersengebieden actief zijn bij welke mentale taken. Zo is uit onderzoek gebleken dat niet alle
hersengebieden zich in hetzelfde tempo ontwikkelen.
Pas rond het 25e levensjaar bereiken de hersenen in hun functioneren de efficiëntie die
nodig is voor een meer evenwichtig leven. Toch is dit niet toepasbaar op individuele
gevallen. Neurologisch onderzoek naar de hersenen van jongeren staat nog in de
kinderschoenen.
Verschillende pedagogen en sociologen uiten hun kritiek op het denken in stadia. Onder hen
zijn Bordieu, Dasberg en Sternberg.
Sternberg onderscheidt drie typen intelligentie:
analystische intelligentie
sociale intelligentie
praktische intelligentie
Er komt steeds meer aandacht voor verschillen tussen leerlingen in het onderwijs en het
verschil tussen kinderen, jongeren en volwassenen in het algemeen.
Jongeren die in een bepaalde tijd zijn geboren, ondergaan dezelfde maatschappelijke
ontwikkelingen en gebeurtenissen op ongeveer dezelfde leeftijd. Jonge mensen die in
eenzelfde maatschappelijke tijdsgewricht opgroeien en daarbij te maken hebben met
dezelfde maatschappelijke voorwaarden, delen niet alleen dezelfde lichamelijke
veranderingen, ze hebben ook vergelijkbare sociale ervaringen.
In de generatietheorie wordt een groot gewicht toegekend aan de leeftijd rond 20 jaar
waarop men veranderingen ondergaat. Tussen 15 en 25 jaar zouden maatschappelijke
gebeurtenissen en ontwikkelingen een grotere vormende invloed hebben dan in vroegere of
latere levensperioden.
, Deze maatschappelijke invloeden leiden vervolgens tot een persoonsontwikkeling waarbij
een gemeenschappelijke manier van kijken, denken en beleven de overhand kan krijgen, ten
koste van onderlinge verschillen.
Onderscheid in generaties:
De vooroorlogse generatie (geboren tussen 1910 en 1940)
De leden van deze generatie zijn vaak sober, spaarzaam en plichtsgetrouw met een
sterk geloof in het gezag van de kerk en overheid.
De stille generatie (geboren tussen 1941 en 1950)
Deze mensen, geboren rond de oorlog, zijn vaak opofferingsgezind en spaarzaam.
De protestgeneratie of babyboomgeneratie (geboren tussen 1951 en 1960)
Zelfontplooiing, een vrijere moraal en burgerlijke ongehoorzaamheid staan bij deze
generatie centraal.
De verloren generatie (geboren tussen 1961 en 1970)
Deze generatie heeft een no-nonsensementaliteit.
De pragmatische generatie (geboren tussen 1971 en 1985)
Deze generatie is vooral praktisch ingesteld en gericht op het eigen levensgeluk.
De grenzeloze generatie (geboren na 1985)
Deze generatie leeft vooral in een beeldcultuur en ervaren weinig grenzen. Ze
worden getypeerd als de achterbankgeneratie. Hun levenshouding lokt vel discussie
uit en is voorwerp van zowel bijval als kritiek.
Het belangrijkste bezwaar tegen het denken in generaties is het over een kam scheren van
individuen. Toch zijn de verschillen binnen generaties vaak groter dan die tussen generaties.
Een ander bezwaar is dat verschillen tussen generaties vaak worden verward met verschillen
tussen levensfasen.
Bij onderzoek naar jeugd is het belangrijk om rekening te houden met het periode effect en
met de leeftijd- of levensfase effecten.
In Westerse samenlevingen zijn traditioneel de volgende 3 hoofdbeelden van jongeren te
onderscheiden:
De onbekommerde jongere.
Jongeren zijn vrij van maatschappelijke verplichtingen en kennen weinig sociale
verantwoordelijkheden. Het leven is voor hen een avontuur met experimenten.
Hierbij horen spontaniteit, plezier, romantiek, uitgaan, vakantie en samen zijn.
De moeilijke jongere.
Jongeren zijn op zoek naar hun identiteit en voelen zich onbegrepen. Ze zetten zich af
tegen volwassenen, zijn ontoegankelijk, gesloten of weerspannig. Het overheersende
beeld is dat van de tobbende puber die zich vervreemdt van ouders en omgeving.
De onbeheerste en ongeremde jongere.