1.1
Kenmerken van de Nederlandse constitutionele monarchie en democratische
rechtsstaat benoemen. 2.2
Kenmerken van de Nederlandse constitutionele monarchie zijn: staatsvorm
● De positie van de koning staat in de grondwet. De koning is staatshoofd
Art. 24 GW
● In de grondwet staat dat de koning samen met de ministers de regering vormt
Art. 42 GW
● In de grondwet staat dat de koning onschendbaar is. Art. 42 lid 2 GW
Kenmerken van een democratische rechtsstaat zijn: Regeringsvorm
● Scheiding der machten(trias politica). In de rechtsstaatzijn drie verschillende
overheidstaken verdeeld in 3 machten
1. Wetgevende macht (wetten maken)
2. uitvoerende macht (regels uitvoeren)
3. rechterlijke macht (beslissen bij een conflict over de regels)
● Vrije verkiezingen (iedereen in Nederland mag stemmen en zich verkiesbaar
stellen)
● Parlementair stelsel (de regering moet verantwoording afleggen aan de
Staten-Generaal)
● Overheid gebonden aan de wet (de overheid heeft regels bij het besturen van het
land)
De rechterlijke macht bewaakt de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechtspraak
garandeert gelijke rechten.
,1.2
De kandidaat herkent of een gegeven grondrecht een klassiek of sociaal grondrecht
is.
In artikel 1 t/m 17 staanklassieke grondrechten. Dit zijn de vrijheidsrechten van de
burger. Deze rechten beschermen je tegen inmenging van de overheid.
Voorbeelden van klassieke grondrechten zijn:
● Gelijke behandeling en discriminatieverbod Art. 1 GW
● kiesrecht Art. 4 GW
● vrijheid van godsdienst Art. 6 GW
In artikel 18 t/m 23 staansociale grondrechten. Dezerechten geven de opdracht aan de
overheid om zaken te regelen in het privéleven van een burger.
Voorbeelden van sociale grondrechten zijn:
● Zorgen voor werkgelegenheid Art. 19 GW
● Zorgen voor welvaart en sociale zekerheid Art. 20 GW
● Zorgen voor een goede volksgezondheid en woongelegenheid Art. 22 GW
1
, 1.4
De kandidaat herkent het verschil tussen rechtsregels en andere regels. 1.2
Niet alle regels zijn rechtsregels.
Rechtsregels hebben drie kenmerken:
1. Rechtsregels zijn gemaakt door de overheid (Staten-Generaal + Regering)
2. Rechtsregels gelden voor iedereen
3. Bij overtreding van een rechtsregel kun je naar de rechter.
Voorbeeld van rechtsregels:
‘Volgens het recht mag hij Nederlander worden.’
‘Het recht beschrijft welk gedrag strafbaar is.’
‘Het recht geeft regels over het eigendom.'
In al deze zinnen wordt met het begrip ‘recht’ verwezen naar een rechtsregel.
Voorbeeld andere regels:
De regels op school dat je je telefoon in de tas moet houden.
De regel dat je de vaatwasser thuis opruimt.
2