, Overzicht kerninzichten
Bij het leren meten gaat het erom dat kinderen het inzicht verwerven dat:
- Je grootheden kunt kwantificeren om situaties in de omgeving te
beschrijven
- Het effectief is om standaardmaten te gebruiken
- Verfijning van maten leidt tot nauwkeuriger meten
- Relaties tussen metrische maten kunnen worden herleid in machten van
tien
In de referentieniveaus is het meten veel meer uitgewerkt dan in de kerndoelen,
er staat precies wat kinderen moeten kennen en kunnen omzetten:
Niveaulijn Wat moeten de leerlingen kennen/kunnen?
leerlingen
Niveau 1F Omrekenen van/naar:
- Km naar m, dm, cm, mm
- L naar dl, cl, ml
- Kg naar g, mg
- 1 dm³ = 1 liter/1000 ml
Niveau 1S - kennis van oppervlaktematen: km², m², dm² en
cm², are, hectare
- Speciale oppervlaktematen: ton (1000 kg), 1m³
= 1000 liter en 1 km² = 1 000 000 m = 100 ha.
- Samengestelde grootheden: km/u
- Decimale structuur van het metrieke stelsel
Alle leerlingen - Meetinstrumenten aflezen
- Eigen referentiematen ontwikkelen
- Omtrek en oppervlakte moeten kunnen berekenen
9.1 Grootheden kwantificeren
Lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur en snelheid zijn
de zeven grootheden die in het basisonderwijs aanbod komen. Kinderen leren
begrijpen waar het om gaat en leren meten met die grootheden.
Grootheid: is hetgeen/datgene wat je kunt meten