Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Biologie Nectar - samenvatting hoofdstuk 9 Erfelijkheid, hoofdstuk 10 Evolutie en hoofdstuk 11 transport alleen paragraaf 1

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
18
Geüpload op
03-07-2024
Geschreven in
2021/2022

In dit document vind je een samenvatting van heel hoofdstuk 9 Erfelijkheid en heel hoofdstuk 10 Evolutie. Doormiddel van deze samenvatting hoef je niet meer uit het boek te leren en heb genoeg aan het doorlezen van de samenvatting. Alle begrippen uit het boek staan erin genoemd en zijn uitgelegd. Ook heb ik handige linkjes toegevoegd naar filmpjes die je nog een betere uitleg geven van de ingewikkeldere onderwerpen. Ik heb afbeeldingen van bronnen uit het boek toegevoegd die belangrijk zijn. Ik heb doormiddel van deze samenvatting een 7,5 gehaald voor mijn toets en klasgenoten van mij die deze samenvatting hebben doorgelezen hebben ook allemaal een 7+ gehaald. Als 'cadeautje' heb ik ook paragraaf 1 van hoofdstuk 11 Transport toegevoegd en een heel klein deel van paragraaf 5 ;)

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Biologie hoofdstuk 9 paragraaf 1
Hoofdstuk: erfelijkheid
Paragraaf: jouw waarneembare eigenschappen

Chromosomenportret
Bij een bevruchting versmelt de kern van een haploïde zaadcel (n) met de kern van een
haploïde eicel tot een diploïde zygote (2n).
Haploïd: van alle chromosomen is één paar aanwezig (n). Het zit bij de vrouwen in de eicel
en bij de mannen in de zaadcel.
Diploïd: alle chromosomen komen in paren voor (2n).
Chromosomen bestaan uit DNA opgerold rond steuneiwitten [Binas 70A].
Chromosoom: drager van een deel van de erfelijke eigenschappen; bestaat uit DNA en
eiwitten.
DNA: grote moleculen in de celkern met informatie voor het maken van eiwitten.
Homologe chromosomen: paren chromosomen die twee aan twee aan elkaar gelijk zijn.
Bevatten informatie over dezelfde onderwerpen. Een van beide chromosomen is afkomstig
van moeder; de andere van vader.
Karyogram: chromosomenportret.
In een karyogram staat het grootste chromosomenpaar vooraan. Daarna volgen in
afnemende grootte, de chromosoomparen 2 tot en met 22, de autosomen.
Autosomen: alle chromosomen behalve, de geslachtschromosomen X en Y.
De geslachtschromosomen vormen het 23e paar. Een man heeft XY en een vrouw heeft XX.
Karyotype: een weergave van het aantal chromosomen in een kern, bijvoorbeeld 46,XX of
47,XY,+21 (trisomie).

Een chromosoom te veel of te weinig
Trisomie: van een chromosomenpaar zijn niet twee, maar drie
exemplaren aanwezig.
Door een verstoring tijdens de meiose kunnen de chromosomen
van een homoloog paar bij elkaar blijven. Hierdoor ontstaan er
geslachtscellen met een extra chromosoom en geslachtscellen die
een chromosoom minder hebben. Bij een bevruchting kan dan
een zygote ontstaan met 47 (trisomie) of 45 chromosomen
(monosomie).

Aangeboren en erfelijke eigenschappen
Aangeboren: de eigenschappen die je bij je
geboorte hebt.
Gen: een stukje DNA met informatie voor een
bepaalde eigenschap. Denk aan haarkleur of
oogkleur.
Allel: variant van een gen. Als je kijkt bij het gen
oogkleur heb je de allelen: bruin, blauw en groen.
Genotype: alle allelen van een organisme samen. Het bouwplan van je lichaam.
Ruim 90% van je DNA bevat geen genen. Het DNA in de celkern en in de mitochondriën van
een cel vormen samen het genoom van een organisme.
Genoom: het DNA van een organisme in de celkern en in de mitochondriën.

,Invloed van het milieu
Fenotype: waarneembare eigenschappen van een individu (uiterlijk), ontstaan door een
samenspel van genotype en milieu.
Het milieu kan invloed hebben op je fenotype. Denk aan het verven van je haar. Dat is niet
van nature, dat is het milieu.
Emergente eigenschappen: een nieuwe eigenschap die ontstaat op een hoger niveau door
samenwerking van onderdelen op een lager niveau. De onderdelen apart hebben die
eigenschap niet. Denk aan een stoel, die je maakt van hout, riet en spijkers. Dat zit veel
lekkerder als je het in elkaar timmert, dan dat het los zit.

Waardoor cellen verschillen
Na de bevruchting delen alle diploïde cellen in je lichaam door een mitose en krijgen
daardoor exact hetzelfde genoom. Via celdifferentiatie specialiseren cellen in een bepaalde
taak.
Celdifferentiatie: vormverandering van cellen, passend bij de functie.
In elk celtype in je lichaam zijn andere genen actief, waardoor elk celtype andere eiwitten
maakt.
Genexpressie: het omzetten van de genetische code in het DNA via een RNA-afschrift naar
eiwitten.
Speciale regulatorgenen in het DNA regelen de genexpressie door de structuurgenen, die
het RNA maken voor de eiwitproductie, aan of juist uit te schakelen.
Regulatorgen: een gen in het DNA dat de genexpressie stuurt door structuurgenen aan of uit
te zetten.
Structuurgen: een gen in het DNA dat RNA kan maken voor de eiwitsynthese.

Tweelingen
Tweelingen groeien vaak op onder dezelfde omstandigheden: een gelijk milieu. Hun
genotype kan verschillen (twee-eiige tweeling) of hetzelfde zijn (ééneiige tweeling). Uit
vergelijking van twee-eiige tweelingen kunnen onderzoekers de bijdrage van het genotype
aan een eigenschap of gedrag afleiden. De beide genotypen verschillen, de omstandigheden
vrijwel niet.
Eeneiige tweelingen leveren extra informatie. Hun genotype is hetzelfde. Verschillen in
milieuomstandigheden kunnen er de loop der jaren toe leiden dat er verschillen ontstaan in
genexpressie.

Uitlegfilmpje mitose: https://www.youtube.com/watch?v=WAh4kIzjGwo
Uitlegfilmpje meiose 1: https://www.youtube.com/watch?v=EW_FDsFVbrc
Uitlegfilmpje meiose 2: https://www.youtube.com/watch?v=fHsFGyapmMA

, Biologie hoofdstuk 9 paragraaf 2
Hoofdstuk: Erfelijkheid
Paragraaf: stamboomonderzoek

Stambomen
Een stamboom geeft een overzicht van de overerving van een eigenschap in een bepaalde
familie. In een stamboom geef je een man aan met een vierkantje en een vrouw met een
rondje. Heeft iemand een bepaald fenotype, bijvoorbeeld inhammen, dan kleur je dat
vierkantje of rondje in.
Het gen voor haarinplant kent twee allelen: voor inhammen en voor een rechte haarinplant.
De vraag is welk allel dominant en welk allel recessief is.
Dominant allel: overheersend allel bij een heterozygoot.
Recessief allel: onderdrukt allel bij een heterozygoot.
Om dit uit te zoeken neem je de volgende drie stappen:
 Je zoekt in de stamboom naar twee ouders met hetzelfde fenotype die een
nakomeling hebben met een ander fenotype.
 Beide ouders zijn dan heterozygoot en de nakomeling is homozygoot recessief. Het
fenotype van de ouders is veroorzaakt door het dominantste allel, dat van de
nakomeling door twee recessieve allelen. Je noteert de afgeleide genotypen in de
stamboom.
 Je controleert in de rest van de stamboom of dit overal geldt.
Beide allelen geef je aan met dezelfde letter. Het dominante allel met een hoofdletter en het
recessieve allel met een kleine letter.
Homozygoot: beide allelen op de homologe chromosomen zijn hetzelfde.
Heterozygoot: beide allelen op de homologe chromosomen zijn verschillend.
Drager: heterozygoot individu. Door het dominante allel komt het recessieve allel niet in het
fenotype tot uiting. Het recessieve allel kan wel worden doorgegeven aan de nakomelingen.

X-chromosomale allelen
Autosomale overerving: overerving van allelen via de autosomen.
X-chromosomale overerving: overerving van allelen via het X-chromosoom.
Denk aan mensen met rood-groen kleurenblindheid. Daarvoor zijn twee allelen op het X-
chromosoom. Een allel B bevat informatie voor een werkzaam eiwit: dit leidt tot kleuren
zien. Het andere allel b voor een onwerkzaam eiwit: dit leidt tot rood-groen
kleurenblindheid. Allelen op het X-chromosoom hebben een andere schrijfwijze. Het
dominante allel B noteer je als XB en het recessieve allel b noteer je als Xb.

Verschil overerving mannen en vrouwen
Mannen hebben een X en een Y-chromosoom, dus kunnen ze niet voor X-chromosomale
allelen heterozygoot zijn. Een recessief X-chromosomaal allel komt bij mannen tot uiting in
het fenotype. Het Y-chromosoom bevat geen genen. Als mannen geen dominant allel
hebben (XB), zijn ze kleurenblind. Zonen krijgen het X-chromosoom altijd van hun moeder.
Dochters krijgen van beide ouders het X-chromosoom.
Bij X-chromosomale overerving geldt:
 Alle zonen van een moeder die homozygoot recessief is, krijgen het fenotype dat
hoort bij het recessieve allel.

Geschreven voor

Instelling
Middelbare school
Niveau
School jaar
5

Documentinformatie

Geüpload op
3 juli 2024
Aantal pagina's
18
Geschreven in
2021/2022
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

€8,79
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
vwoleerling2005

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
vwoleerling2005
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
3 jaar
Aantal volgers
0
Documenten
49
Laatst verkocht
3 maanden geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen