Dit tentamen bestaat uit 20 meerkeuzevragen en 4 casus met open vragen.
Voor de meerkeuzevragen kunt u maximaal 20 punten behalen. Voor de casus met
open vragen, elk 20 punten.
Totaal kunt u 100 punten behalen, voor een voldoende resultaat moet u minimaal 55
punten hebben behaald.
De docent krijgt alleen uw uitwerkpapier van de toetsorganisatie, vul daarom zowel
de antwoorden van de meerkeuzevragen , als die van de open vragen in op het
uitwerkpapier!
U heeft drie uur voor dit tentamen. Verdeel uw tijd goed over de vragen.
1. In het recht worden diverse onderscheidingen gemaakt, zoals het onderscheid
tussen materieel recht en formeel recht. Welke bewering is niet juist?
a) Het wetboek van Strafrecht bevat voornamelijk materieel recht
b) De Faillissementswet bevat voornamelijk materieel recht
c) Het wetboek van Strafvordering bevat voornamelijk formeel recht
d) Het Burgerlijk Wetboek bevat voornamelijk formeel recht
2. De gemeenteraad van Utrecht stelt de Legesverordening 2018 vast. Dit besluit
is:
a) Uitsluitend een wet in formele zin
b) Zowel een wet in formele zin als een wet in materiële zin
c) Uitsluitend een wet in materiële zin
d) Noch een wet in formele zin en een wet in materiële zin
3. De wetgevende organen binnen de provincie en de gemeente zijn:
a) Provinciale Staten respectievelijk de gemeenteraad.
b) Gedeputeerde Staten respectievelijk het college van burgemeester en
wethouders.
c) Provinciale Staten respectievelijk het college van burgemeester en
wethouders;
d) Gedeputeerde Staten respectievelijk de gemeenteraad.
,4. Welke bewering is niet juist?
a) De rechter mag een Gemeentelijke Verordening aan een Wet in Formele zin
toetsen
b) De rechter mag een Gemeentelijke Verordening aan een Verdrag toetsen
c) De rechter mag een Gemeentelijke Verordening aan de Grondwet toetsen
d) De rechter mag een Wet in Formele zin aan de Grondwet toetsen
5. Wat is juist?
a) In de Werkloosheidswet staat vooral aanvullend recht.
b) Een belangrijk kenmerk van het publiekrecht is dat het om dwingend recht
gaat.
c) Het publiekrecht omvat slechts het staatsrecht.
d) De Werkloosheidswet maakt onderdeel uit van het bestuursrecht, en daarmee
van het privaatrecht.
6. Het College van burgemeester en wethouders beslist op 2 oktober 2018 dat
de aanvrage van mevrouw de Bruin voor een uitkering krachtens de
Participatiewet wordt toegewezen. Hoe wordt deze beslissing genoemd op
grond van de Algemene wet bestuursrecht?
a) Een verordening
b) Een beschikking
c) Een plan
d) Een subsidie
7. Welke bewering is juist?
a) Alleen de Tweede kamer is bevoegd om wetsvoorstellen in te dienen
b) Zowel de Eerste als de Tweede kamer zijn bevoegd om wetsvoorstellen in te
dienen
c) Zowel de Regering als de Tweede kamer zijn bevoegd om wetsvoorstellen in
te dienen
d) Alleen de Regering is bevoegd om wetsvoorstellen in te dienen
, 8. Iedere bevoegdheid van een overheidsorgaan moet haar basis vinden in de
wet. De bevoegdheid kan op verschillende manieren worden toegekend.
Art 127 GW luidt als volgt: Provinciale staten en de gemeenteraad stellen, behoudens bij de wet of
door hen krachtens de wet te bepalen uitzonderingen, de provinciale onderscheidenlijk de
gemeentelijke verordeningen vast.
Hier is sprake van:
a) Delegatie van wetgevende bevoegdheid
b) Attributie van wetgevende bevoegdheid
c) Subdelegatie van wetgevende bevoegdheid
d) Mandaat van wetgevende bevoegdheid
9. Wat is juist?
a) Van attributie is sprake indien een nog niet bestaande bevoegdheid wordt
gecreëerd en toebedeeld aan een staatsorgaan.
b) Van delegatie is sprake indien een nog niet bestaande bevoegdheid wordt
gecreëerd en toebedeeld aan een bestuursorgaan.
c) Van decentralisatie is sprake indien een bevoegdheid aan een hoger orgaan
wordt toebedeeld.
d) Van mandaat is sprake indien een bevoegdheid aan een hoger orgaan wordt
toebedeeld.
10. De regering kan alleen en op eigen bevoegdheid de volgende wet maken:
a) Een wet in formele zin
b) Een ministeriële regeling
c) Een Koninklijk Besluit
d) Een Algemene Maatregel van Bestuur
11. Mevrouw Wits vraagt bij de gemeente Wijk bij Duurstede een
maatwerkvoorziening aan op grond van de Wet maatschappelijke
ondersteuning. De aanvraag wordt door het college van Burgemeester en
Wethouders afgewezen. Mevrouw Wits is het er niet mee eens. Wat is de
eerste procedurele stap die zij moet zetten?
a) beroep instellen bij de Gemeenteraad
b) Een bezwaarschrift indienen bij het college van Burgemeester en Wethouders
van Wijk bij Duurstede
c) beroep instellen bij de rechtbank sector Bestuur
d) Een bezwaarschrift indienen bij de Gemeenteraad
12. Binnen welke termijn moet mevrouw Wits de in de vorige vraag bedoelde stap
zetten?