FMH Leerdoelen
Week 1
OAC 3 FMH neurorevalidatie CVA- hyperacute fase
Kan de organisatie en doelstellingen van het zorgproces in de acute fase
na een CVA benoemen.
Stroke unit: Is een onderdeel van de neurologische afdeling, bedoeld voor mensen
die speciale neurologische zorg nodig hebben, bv als ze een beroerte hebben gehad.
Instellingen die tot een stroke service worden gerekend zijn:
- ziekenhuis stroke unit
- revalidatiecentra stroke unit
- verpleeghuizen stroke unit
- huisartsvoorzieningen stroke unit
Stroke service: Een regionale zorgketen van samenwerkende zorginstellingen
Bv. Wanneer een fysiotherapeut samen werkt met een ergotherapeut en een
logopedist, dat heet dit een stroke service.
De rol van de fysiotherapeut binnen de stroke service (acute fase).
Een stroke service kan worden gedefinieerd als een regionale zorgketen van
samenwerkende zorginstellingen. De instellingen die horen bij de stroke service zijn:
Ziekenhuis stroke units
Revalidatiecentra (revalidatie stroke units)
Verpleeghuizen, al dan niet met speciale revalidatiefaciliteiten (verpleeghuis
stroke units) en long stay afdelingen
Huisartsvoorzieningen, praktijken fysiotherapie en instellingen voor
wijkverpleging en ondersteunende zorg in de eerstelijns- gezondheidszorg
Als fysiotherapeut werk je via het psychosociale model, het onderzoekend
behandelen maar ook behandelend onderzoeken. Het is lastig om een richtlijn te
gebruiken dit is meer een hou vast. Je moet inventief en creatief zijn om deze te
behandelen. Elke patiënt is anders.
De indeling van de tijd voor een CVA is als volgt opgebouwd:
1. (hyper)acute fase - 0-24 uur
2. vroege revalidatiefase (VR) – 24 uur tot 3 maanden
3. Late revalidatiefase (LR) – 3 tot 6 maanden
4. Chronische fase (RC) – Langer dan 6 maanden
,Dit model zegt niets over het niveau, wel over een verwachting.
Het herstel na een CVA verloopt niet lineair, maar in een kromme, waarbij in de
eerste dagen tot maanden verreweg het meeste herstel plaatsvindt. 80% van het
herstel van functionaliteit vindt plaats in de eerste drie maanden na het ontstaan van
het CVA. Gemiddeld genomen vinden bij slechts 10 tot 15% van de patiënten na zes
maanden nog klinische relevante verbeteringen plaats op activiteitenniveau.
Kan benoemen welke rol en taken de fysiotherapeut heeft in de premobilisatie
fase bij een patiënt met CVA
Als fysiotherapeut maak je gebruik van een aantal testen, een van deze testen is de
barthel index. Deze test wordt gebruikt om te beslissen of de patiënt zelfstandig
genoeg is om naar huis te gaan of naar een verpleeghuis moet gaan. Er wordt hier
gebruik gemaakt van functionele mijlpalen. Geadviseerd wordt patiënten die beperkt
zijn in de uitvoering van de basale activiteiten van het dagelijks leven.
Tijdens het trainen van vaardigheden is er een voorkeur van trainen in de eigen
woon en werkomgeving (iemand hersteld het snelste thuis). Het blijkt dat het
vroegtijdig ontslaan van patiënten (early supported discharge) met als doel de
behandeling in de thuissituatie te continueren, niet ten koste gaat van kwaliteit van
leven van patiënt en mantelzorger. Het gaat hier doorgaans om een reliëf matig tot
licht beperkte groep patiënten met een barthel index van tien punten of hoger.
Tijdens het onderzoek wordt veel gebruik gemaakt van klinimetrie. Er worden op vast
gezetten tijden meetinstrumenten afgenomen.
In het diagnostisch proces maak je gebruik van verschillende domeinen van
functiestoornissen:
Somatosensorisch: primair en secundair fysiotherapie komt hier bij kijken
Neuropsychologisch/cognitief: communicatie stoornissen, cognitieve en
gedrags veranderingen denk hierbij aan taalstoornissen, je kan hier niet veel
aan veranderen als fysiotherapeut
Psychologisch/sociaal –emotioneel: het psychologische gesteldheid van
een persoon na CVA
Tijdens het diagnostisch proces maak je gebruik van de WAT? (niveau van het
functioneren) HOE? (beschrijving van het functioneren) en WAAROM? (analyse van
het functioneren). Je benadert een patiënt altijd via deze techniek.
Bij het Wat ga je het niveau beschrijven van de patiënt, wat heeft iemand nodig om
het uit te voeren, hulp etc. Bij het Hoe ga je beschrijven wat de patiënt doet, dus
heeft iemand een spasme, bewegingsbeperking etc. Bij Waarom ga je bekijken wat
er nou voor zorgt dat ze op een bepaalde manier beweegt.
Na de anamnese worden voorlopige conclusies getrokken en hypotheses opgesteld
naar aanleiding waarvan de fysiotherapeut diagnostische verrichtingen uitvoert. De
werkgroep adviseert hierbij gebruik te maken van een aantal geselecteerde
meetinstrumenten, om op objectieve wijze stoornissen in functie, beperkingen in
,activiteiten en participatie, en bevorderende en belemmerende contextuele factoren
in kaart te brengen.
Naast de basismeetinstrumenten zijn in de richtlijn 21 aanbevolen meetinstrumenten
opgenomen, die gebruikt kunnen worden wanneer daarvoor aanleiding is. De
fysiotherapeut selecteert deze meetinstrumenten op basis van de hulpvraag van de
patiënt met de aan de hulpvraag gerelateerde behandeldoelen en/of handelt naar
eigen inzicht. Elk meetinstrument heeft zijn eigen (beperkte) toepasbaarheid en zal,
afhankelijk van de ernst van bepaalde symptomen, het moment na het CVA en waar
de patiënt wordt verpleegd, kunnen worden gebruikt voor diagnostiek, screening
en/of evaluatie.
10 meter looptest
Timed up and go test
Trunk control test
Barthel index
Functional ambulation catagories
Berg belance scale
Therapeutisch proces:
Hyperacute fase (HAR) = premobilisatiefase
- medische beleid is erop gericht PT in bed te houden!
• Diagnostiek
• Voorkomen progressieve schade hersenen en secundaire complicaties.
Mobilisatie binnen 24 uur is streven!
• FT: adviserende, controlerende en daar waar mogelijk een behandelende
functie:
Fysiotherapeuten hebben tijdens de premobilisatiefase een adviserende,
controlerende en waar nodig een behandelende functie binnen het interdisciplinaire
team. Hierbij valt te denken aan:
• het adviseren van een optimale lighouding die de patiënt tevens als
comfortabel ervaart;
• het adviseren in het opzetten, maar ook tevens monitoren van een adequaat
wisselliggingsschema, onder andere om decubitus, handoedeem en een
pijnlijke schouder zo veel mogelijk te voorkomen, waarbij rekening gehouden
wordt met optimale positionering van de paretische schouder en gewenste
drainagehoudingen en het zo nodig stimuleren van verpleegkundigen bij de
uitvoering van het schema;
• het monitoren van (mogelijke) functiestoornissen zoals parese,
somatosensoriek, weerstand tegen passief bewegen en bewegingsuitslag;
• het onderhouden en verzorgen van een optimale pulmonale ventilatie en
sputumlozing.
, Week 2
Oac 2 FMH Problematische handeling; compensatie strategieën; motorisch
leren-2015
De student kan de principes met betrekking tot het functioneel
onderzoeken en behandelen van een patiënt met een CVA omschrijven.
Tijdens het diagnostisch proces van een CVA patient is het belangrijk gebruik te
maken van de WAT?, HOE? En WAAROM?. Deze zijn te koppelen aan verschillende
niveaus namelijk:
Wat doet iemand? : Analyseren hoe iemand beweegt
Hoe doet iemand het eigenlijk?
Waarom doet diegene dat op die manier?
Hoe en waaromà functieniveau
Wat à activiteitenniveau
De student kan een problematische handeling beschrijven aan de hand
van de 6 handelingsaspecten.
Het problematisch handelen is onder te verdelen in 6 handelingsaspecten namelijk:
Intentionaliteit: wat de patiënt weer wil kunnen
Sequentie: een opeenvolging van handelingen in de tijd. Het probleem kan
gelegen zijn in de uitvoeringsduur van de opeenvolgende behandelingen.
Betekenisvolle omgeving: de voor de problematische bewegingshandeling
en houding, relevante omgeving
(Kijk goed naar alles wat daarbij hoort! Misschien lukt het wel bij de fysio,
maar niet thuisà kijk dan wat er veranderd moet worden)
Nesting: deelhandelingen die belangrijk zijn voor een bepaalde handeling
Wijze van handelen: de gewenste en haalbare houding en de
bewegingshandeling in termen van tijd-ruimtelijke verhouding (de wijze van
bewegen en/of houding handhaven)
(Je past je aanà gewenste manier van uitvoeren)
Beperkende factoren: lichamelijke of omgevingsfactoren van beperkende
aard. Bv verminderde spierkracht of te hoge traptreden
Week 1
OAC 3 FMH neurorevalidatie CVA- hyperacute fase
Kan de organisatie en doelstellingen van het zorgproces in de acute fase
na een CVA benoemen.
Stroke unit: Is een onderdeel van de neurologische afdeling, bedoeld voor mensen
die speciale neurologische zorg nodig hebben, bv als ze een beroerte hebben gehad.
Instellingen die tot een stroke service worden gerekend zijn:
- ziekenhuis stroke unit
- revalidatiecentra stroke unit
- verpleeghuizen stroke unit
- huisartsvoorzieningen stroke unit
Stroke service: Een regionale zorgketen van samenwerkende zorginstellingen
Bv. Wanneer een fysiotherapeut samen werkt met een ergotherapeut en een
logopedist, dat heet dit een stroke service.
De rol van de fysiotherapeut binnen de stroke service (acute fase).
Een stroke service kan worden gedefinieerd als een regionale zorgketen van
samenwerkende zorginstellingen. De instellingen die horen bij de stroke service zijn:
Ziekenhuis stroke units
Revalidatiecentra (revalidatie stroke units)
Verpleeghuizen, al dan niet met speciale revalidatiefaciliteiten (verpleeghuis
stroke units) en long stay afdelingen
Huisartsvoorzieningen, praktijken fysiotherapie en instellingen voor
wijkverpleging en ondersteunende zorg in de eerstelijns- gezondheidszorg
Als fysiotherapeut werk je via het psychosociale model, het onderzoekend
behandelen maar ook behandelend onderzoeken. Het is lastig om een richtlijn te
gebruiken dit is meer een hou vast. Je moet inventief en creatief zijn om deze te
behandelen. Elke patiënt is anders.
De indeling van de tijd voor een CVA is als volgt opgebouwd:
1. (hyper)acute fase - 0-24 uur
2. vroege revalidatiefase (VR) – 24 uur tot 3 maanden
3. Late revalidatiefase (LR) – 3 tot 6 maanden
4. Chronische fase (RC) – Langer dan 6 maanden
,Dit model zegt niets over het niveau, wel over een verwachting.
Het herstel na een CVA verloopt niet lineair, maar in een kromme, waarbij in de
eerste dagen tot maanden verreweg het meeste herstel plaatsvindt. 80% van het
herstel van functionaliteit vindt plaats in de eerste drie maanden na het ontstaan van
het CVA. Gemiddeld genomen vinden bij slechts 10 tot 15% van de patiënten na zes
maanden nog klinische relevante verbeteringen plaats op activiteitenniveau.
Kan benoemen welke rol en taken de fysiotherapeut heeft in de premobilisatie
fase bij een patiënt met CVA
Als fysiotherapeut maak je gebruik van een aantal testen, een van deze testen is de
barthel index. Deze test wordt gebruikt om te beslissen of de patiënt zelfstandig
genoeg is om naar huis te gaan of naar een verpleeghuis moet gaan. Er wordt hier
gebruik gemaakt van functionele mijlpalen. Geadviseerd wordt patiënten die beperkt
zijn in de uitvoering van de basale activiteiten van het dagelijks leven.
Tijdens het trainen van vaardigheden is er een voorkeur van trainen in de eigen
woon en werkomgeving (iemand hersteld het snelste thuis). Het blijkt dat het
vroegtijdig ontslaan van patiënten (early supported discharge) met als doel de
behandeling in de thuissituatie te continueren, niet ten koste gaat van kwaliteit van
leven van patiënt en mantelzorger. Het gaat hier doorgaans om een reliëf matig tot
licht beperkte groep patiënten met een barthel index van tien punten of hoger.
Tijdens het onderzoek wordt veel gebruik gemaakt van klinimetrie. Er worden op vast
gezetten tijden meetinstrumenten afgenomen.
In het diagnostisch proces maak je gebruik van verschillende domeinen van
functiestoornissen:
Somatosensorisch: primair en secundair fysiotherapie komt hier bij kijken
Neuropsychologisch/cognitief: communicatie stoornissen, cognitieve en
gedrags veranderingen denk hierbij aan taalstoornissen, je kan hier niet veel
aan veranderen als fysiotherapeut
Psychologisch/sociaal –emotioneel: het psychologische gesteldheid van
een persoon na CVA
Tijdens het diagnostisch proces maak je gebruik van de WAT? (niveau van het
functioneren) HOE? (beschrijving van het functioneren) en WAAROM? (analyse van
het functioneren). Je benadert een patiënt altijd via deze techniek.
Bij het Wat ga je het niveau beschrijven van de patiënt, wat heeft iemand nodig om
het uit te voeren, hulp etc. Bij het Hoe ga je beschrijven wat de patiënt doet, dus
heeft iemand een spasme, bewegingsbeperking etc. Bij Waarom ga je bekijken wat
er nou voor zorgt dat ze op een bepaalde manier beweegt.
Na de anamnese worden voorlopige conclusies getrokken en hypotheses opgesteld
naar aanleiding waarvan de fysiotherapeut diagnostische verrichtingen uitvoert. De
werkgroep adviseert hierbij gebruik te maken van een aantal geselecteerde
meetinstrumenten, om op objectieve wijze stoornissen in functie, beperkingen in
,activiteiten en participatie, en bevorderende en belemmerende contextuele factoren
in kaart te brengen.
Naast de basismeetinstrumenten zijn in de richtlijn 21 aanbevolen meetinstrumenten
opgenomen, die gebruikt kunnen worden wanneer daarvoor aanleiding is. De
fysiotherapeut selecteert deze meetinstrumenten op basis van de hulpvraag van de
patiënt met de aan de hulpvraag gerelateerde behandeldoelen en/of handelt naar
eigen inzicht. Elk meetinstrument heeft zijn eigen (beperkte) toepasbaarheid en zal,
afhankelijk van de ernst van bepaalde symptomen, het moment na het CVA en waar
de patiënt wordt verpleegd, kunnen worden gebruikt voor diagnostiek, screening
en/of evaluatie.
10 meter looptest
Timed up and go test
Trunk control test
Barthel index
Functional ambulation catagories
Berg belance scale
Therapeutisch proces:
Hyperacute fase (HAR) = premobilisatiefase
- medische beleid is erop gericht PT in bed te houden!
• Diagnostiek
• Voorkomen progressieve schade hersenen en secundaire complicaties.
Mobilisatie binnen 24 uur is streven!
• FT: adviserende, controlerende en daar waar mogelijk een behandelende
functie:
Fysiotherapeuten hebben tijdens de premobilisatiefase een adviserende,
controlerende en waar nodig een behandelende functie binnen het interdisciplinaire
team. Hierbij valt te denken aan:
• het adviseren van een optimale lighouding die de patiënt tevens als
comfortabel ervaart;
• het adviseren in het opzetten, maar ook tevens monitoren van een adequaat
wisselliggingsschema, onder andere om decubitus, handoedeem en een
pijnlijke schouder zo veel mogelijk te voorkomen, waarbij rekening gehouden
wordt met optimale positionering van de paretische schouder en gewenste
drainagehoudingen en het zo nodig stimuleren van verpleegkundigen bij de
uitvoering van het schema;
• het monitoren van (mogelijke) functiestoornissen zoals parese,
somatosensoriek, weerstand tegen passief bewegen en bewegingsuitslag;
• het onderhouden en verzorgen van een optimale pulmonale ventilatie en
sputumlozing.
, Week 2
Oac 2 FMH Problematische handeling; compensatie strategieën; motorisch
leren-2015
De student kan de principes met betrekking tot het functioneel
onderzoeken en behandelen van een patiënt met een CVA omschrijven.
Tijdens het diagnostisch proces van een CVA patient is het belangrijk gebruik te
maken van de WAT?, HOE? En WAAROM?. Deze zijn te koppelen aan verschillende
niveaus namelijk:
Wat doet iemand? : Analyseren hoe iemand beweegt
Hoe doet iemand het eigenlijk?
Waarom doet diegene dat op die manier?
Hoe en waaromà functieniveau
Wat à activiteitenniveau
De student kan een problematische handeling beschrijven aan de hand
van de 6 handelingsaspecten.
Het problematisch handelen is onder te verdelen in 6 handelingsaspecten namelijk:
Intentionaliteit: wat de patiënt weer wil kunnen
Sequentie: een opeenvolging van handelingen in de tijd. Het probleem kan
gelegen zijn in de uitvoeringsduur van de opeenvolgende behandelingen.
Betekenisvolle omgeving: de voor de problematische bewegingshandeling
en houding, relevante omgeving
(Kijk goed naar alles wat daarbij hoort! Misschien lukt het wel bij de fysio,
maar niet thuisà kijk dan wat er veranderd moet worden)
Nesting: deelhandelingen die belangrijk zijn voor een bepaalde handeling
Wijze van handelen: de gewenste en haalbare houding en de
bewegingshandeling in termen van tijd-ruimtelijke verhouding (de wijze van
bewegen en/of houding handhaven)
(Je past je aanà gewenste manier van uitvoeren)
Beperkende factoren: lichamelijke of omgevingsfactoren van beperkende
aard. Bv verminderde spierkracht of te hoge traptreden