Bedrijfskunde blok 1
Samenvatting Edumundo
7-S model
Hoofdstuk 1: Introductie blz. 2-6
Hoofdstuk 2: Strategie en omgeving blz. 7-10
Hoofdstuk 3: Structuur blz. 11-14
Hoofdstuk 4: Staff (motivatie en inrichten van functies) blz. 15-18
Hoofdstuk 5: Staff (HRM) blz. 19-22
Hoofdstuk 6: Shared values & Style blz. 23-25
, Hoofdstuk 1: Introductie
Waarom zijn er organisaties?
Organisatie= specifiek soort samenwerkingsverband, met een formele hiërarchie. Binnen een organisaties
hebben mensen in leidende posities de beslissingsbevoegdheden, in een samenwerkingsverband op basis van
gelijkwaardigheid.
HIËRARCHIE= manier om mensen binnen een organisatie efficiënt en effectief te laten werken door hen te
ordenen volgens asymmetrische relaties (managers personeel).
§1.1 Wat is een organisatie?
Organisaties belangrijk omdat de mens als individu veel doelen niet kan bereiken die door samenwerken wel
kunnen worden bereikt.
3 dingen die organisaties gemeen hebben: (beschikken over)
Doelstellingen
Mensen
Middelen
Begrip organisatie wordt op de proef gesteld door:
Opkomst digitale platforms
Verplaatsen cruciale productieonderdelen naar gespecialiseerde productiebedrijven (outsourcing)
Toenemend aantal mensen dat zzp’er wordt ipv loondienst
6 fundamenten van een organisatie (Scott, 1987):
1. Participanten: = mensen waaruit een organisatie bestaat. Mensen moeten worden aangestuurd en
hun taken moeten worden georganiseerd.
2. Doelen
3. Technologie: mensen werken met technologie om nieuwe producten te produceren of een service te
verlenen.
4. Formele structuur: = hiërarchische relaties en taakverdeling tussen managers en werknemers,
vastgelegd in functieomschrijvingen. Veel herhaalde activiteiten worden gestandaardiseerd en
vastgelegd in formele procesbeschrijvingen. Formeel, omdat ze een directe relatie hebben met de
doelen die de organisatie wil bereiken.
5. Informele structuur: = interacties tussen mensen en de relaties die op een natuurlijke wijze ontstaan
binnen een organisatie. Niet formeel vastgelegd en niet direct relatie met de doelen van een
organisatie. Informele structuren zijn belangrijk omdat ze beter inzicht geven in de communicatie en
hoe formele taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden uitgevoerd.
6. De omgeving: refereert aan alle zaken buiten de organisatie die beïnvloeden of worden beïnvloed.
Organisaties worden beïnvloed door economische ontwikkelingen, overheidsbeleid, klanten, de
publieke opinie etc. Hebben invloed op: klanten, omwonenden, (soms) overheidsbeleid.
2
, §1.2 Verschijningsvormen van organisaties
2 manieren waarop organisaties zich van elkaar onderscheiden:
1. Winst als primair doel of juist niet
= eenvoudigste onderscheid organisaties: non-profit of
profit (=ondernemingen)
Non-profit: streven naar goederen en diensten voor
algemene nut. (Bijv: gemeenten, scholen, verenigingen,
goede doelen)
2. De grootte van de organisatie
Termen: aantal werknemers, omzet, balanstotaal
Micro-, klein-, midden- en grootbedrijf
Micro- onderneming: minder dan 10 werknemers, jaaromzet/balanstotaal max. 2 miljoen
Kleinbedrijf: minder dan 50 werknemers, jaaromzet/balanstotaal max. 10 miljoen
Middenbedrijf: minder dan 250 werknemers, jaaromzet/balanstotaal max. 43 miljoen
Grootbedrijf: bevat bedrijven die groter zijn (Shell, Unilever) meer dan 250 medewerkers jaaromzet
meer dan 50 miljoen balanstotaal groter dan 43 miljoen
§1.3 stromingen in de organisatiekunde
Ontstaan rond 1900 Taylor is eerste die specifiek over organisatiekunde schreef.’
BELANGRIJKSTE STROMINGEN:
1900: Scientific Management: ontstaan 1900, publicaties van Taylor
1920: Bureaucratie: verlengde van werk Taylor, werkt socioloog Weber het concept uit van bureaucratie als
rationele en doelmatige organisatievorm.
1930: Human Relations: =reactie op sterk rationele aanpak van Taylor. Auteur= Mayo, stelt menselijk gedrag
nadrukkelijk centraal.
1950: Revisionisme: McGregor, Herzberg, Blake & Mouton combineren de menselijke aspecten van Human
Relations met de klassieke benadering ban Taylor. Andere naam stroming: mensen en organisaties.
1955: Systeembenadering: Boulding kijken naar omgeving van de organisatie.
1960: Contingentiebenadering: er is niet 1 beste manier om organisaties vorm te geven. Lawrence & Lorsch
1980: Total Quality Management & lerende organisatie: total quality management Deming, Juran, Crosby.
Het leveren van interne- en externe kwaliteit staat centraal. Lerende organisatie functioneren van
organisaties in een steeds veranderlijkere omgeving. Organisaties moeten leren van fouten die ze maken.
§1.3.1 Scientific Management
3