Bachelor Nederlands
Syntaxis I
Samenvatting
Soraya Visser
S2314819
, Syntaxis I, samenvatting door S. Visser 2
1 Wat is syntaxis?
Syntaxis – de manier waarop woorden samen woordgroepen en zinnen vormen
(‘zinsbouw’).
RELATIEFPRONOMINA – betrekkelijk voornaamwoorden
woorden die een bijzin inleiden die iets over het naamwoord zegt; die, dat
ANAFORISCHE pronomina – zoals zijn, haar (zegt iets over het biologische
geslacht)
COMMON GENDER – gemeenschappelijk geslacht, ook wel ‘zijdig’ of ‘nonneuter’
Nederlands heeft twee geslachten: het onzijdig en dus het common gender
1.1 Voorbeeldzinnen gebruiken
GLOSSE – letterlijke vertaling van het oorspronkelijke voorbeeld; elk betekenis
dragend onderdeel van het origineel wordt vertaald, of het nu precies met een
Nederlands woord correspondeert of niet. Glosse bevatten zowel lexicale als
functionele informatie:
- De functionele informatie wordt in hoofdletters weergegeven (betrekking
op bijvoorbeeld tijd en aspect)
- De lexicale informatie is niets anders dan een gewone vertaling van de
woorden in de oorspronkelijke taal.
DEFINIET – bepaald lidwoord; de, het
INDEFINIET – onbepaald lidwoord; een
DEMONSTRATIEF – aanwijzende woorden; dit, dat, deze
PLURALIS – meervoud
SUFFIXEN – worden aan het eind van een woord vastgeplakt
INCLUSIEF – ‘wij’ = spreker + aangesprokene
EXCLUSIEF – ‘wij’ = spreker + derde, dus niet de aangesprokene