Beroepsethiek voor Maatschappelijk Werk en Dienstverlening
Samenvatting hoofdstuk 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9
Hoofdstuk 1
Ethiek de wetenschap die de moraal bestudeert.
Morele opvattingen gaan over de vraag hoe men zich als mens goed en verantwoordelijk kan
gedragen.
Fatsoensnorm; ongeschreven regel, staat nergens vast (niet smsen tijdens WC)
Juridische normen staan vast (gij zult niet doden.
Een moreel oordeel is gebaseerd op menselijk handelen (gedrag) van een individu, en is meestal een
moreel uitgangspunt.
Dit is altijd gebaseerd op:
Intenties van het handelen (deugd: eerlijk)
Handelen zelf (norm, je hoort)
Gevolgen handelen (waarde, waarom handel je zo)
Een niet-moreel oordeel is een smaak- en/of economisch oordeel.
Belangen.
Eigenbelang; puur voor jezelf
Welbegrepen eigenbelang; beide partijen hebben er belang bij (jij+ andere)
Belang van anderen; voor iemand anders, zelf geen belang bij.
Algemeen belang; gaat iedereen aan (armoede)
Microniveau Individueel
Mesoniveau; Instelling
Macroniveau; Grote groep mensen, maatschappij
Waarden; wat vinden mensen waardevol en waar streven zij naar (vrijheid, rechtvaardigheid)
Normen; voorschriften die laten zien hoe je moet handelen, gedragsregel
Deugd; intentie komt voort uit een vaste goede eigenschap van de persoon. (moed, respect)
Als mensen zich sterk op normen richten, ontstaat er verstarring.
Normen moeten zich ontwikkelen en worden aangepast aan veranderende contexten.
Verschil tussen deugden en waarden
Waarden zijn abstracte cognitieve begrippen en deugden zijn gekoppeld aan een specifiek persoon.
Verantwoordelijkheid
In vrijheid ;Kiezen voor je eigen vrijheid
Gradueel; Meer of minder
Tijdsaspect; Hoelang is iemand verantwoordelijk
Negatieve verantwoordelijkheid; de verantwoordelijkheid als je iets niet doet
3 soorten verantwoordelijk
Aansprakelijkheid; Verantwoordelijk. Iets kunnen voorkomen (verleden tijd)
Als taak
Als deugd Karaktereigenschap; Aanvoelen om ook iets te doen. Volwassenen zelfstandig denken
1
Samenvatting hoofdstuk 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9
Hoofdstuk 1
Ethiek de wetenschap die de moraal bestudeert.
Morele opvattingen gaan over de vraag hoe men zich als mens goed en verantwoordelijk kan
gedragen.
Fatsoensnorm; ongeschreven regel, staat nergens vast (niet smsen tijdens WC)
Juridische normen staan vast (gij zult niet doden.
Een moreel oordeel is gebaseerd op menselijk handelen (gedrag) van een individu, en is meestal een
moreel uitgangspunt.
Dit is altijd gebaseerd op:
Intenties van het handelen (deugd: eerlijk)
Handelen zelf (norm, je hoort)
Gevolgen handelen (waarde, waarom handel je zo)
Een niet-moreel oordeel is een smaak- en/of economisch oordeel.
Belangen.
Eigenbelang; puur voor jezelf
Welbegrepen eigenbelang; beide partijen hebben er belang bij (jij+ andere)
Belang van anderen; voor iemand anders, zelf geen belang bij.
Algemeen belang; gaat iedereen aan (armoede)
Microniveau Individueel
Mesoniveau; Instelling
Macroniveau; Grote groep mensen, maatschappij
Waarden; wat vinden mensen waardevol en waar streven zij naar (vrijheid, rechtvaardigheid)
Normen; voorschriften die laten zien hoe je moet handelen, gedragsregel
Deugd; intentie komt voort uit een vaste goede eigenschap van de persoon. (moed, respect)
Als mensen zich sterk op normen richten, ontstaat er verstarring.
Normen moeten zich ontwikkelen en worden aangepast aan veranderende contexten.
Verschil tussen deugden en waarden
Waarden zijn abstracte cognitieve begrippen en deugden zijn gekoppeld aan een specifiek persoon.
Verantwoordelijkheid
In vrijheid ;Kiezen voor je eigen vrijheid
Gradueel; Meer of minder
Tijdsaspect; Hoelang is iemand verantwoordelijk
Negatieve verantwoordelijkheid; de verantwoordelijkheid als je iets niet doet
3 soorten verantwoordelijk
Aansprakelijkheid; Verantwoordelijk. Iets kunnen voorkomen (verleden tijd)
Als taak
Als deugd Karaktereigenschap; Aanvoelen om ook iets te doen. Volwassenen zelfstandig denken
1