4.1 nieuw leven
Elke maand ontwikkelt zich een eicel in een van beide ovaria (eierstokken) van een
vrouw. In twee weken groeit de cel door de opname van voedingstoffen uit de
omringende follikelcellen. Na de ovulatie (= eisprong) komt de cel, nog omringd door
een laag follikelcellen, in de eileider. Bevruchting:
Hierna versmelten de celkernen van de eicel en de spermacel met elkaar. Daarmee
is de bevruchting van de eicel afgerond. Er is een zygote = bevruchte eicel
Klievingsdelingen = de eerste delingen
De zygote deelt zich tot een klompje cellen dat een blaasje vormt, de blastula. Een
week na de bevruchting vind de innesteling plaats. Het bevruchtingsmembraan barst
en de blastula nestelt zich in het baarmoederslijm- vlies. Binnen de blastula ontstaan
twee holten: de amnionholte en de holte van het dooierblaasje. Daartussen ligt de
kiemschijf. Cellen van de kiemschijf groeien uit tot het embryo, waaruit later de baby
ontstaat. De buitenlaag van de blastula heet trofoblast, het begin van de placenta. De
amnionholte groeit sterk en vult zich met vruchtwater dat het embryo beschermt.
In de baarmoeder ontstaan uit cellen van moeder en kind de placenta. Via hier kan
het embryo stoffen opnemen en afgeven vanuit het bloed van de moeder. De
uitwisseling van stoffen tussen beide bloedsomplopen gaat via de celmembranen
, van de vlokken. Beide bloedsomlopen zijn daardoor strikt gescheiden. De
navelstreng verbind de placenta met het kind. De navelstreng bestaat uit één ader en
twee slagaders. De twee slagaders vervoeren bloed met afvalstoffen naar placenta
en de ader vervoert voedingstoffen en O2 vanuit de placenta naar de embryo.
Meisje = XX
Jongen = XY
Primaire geslachtskenmerken = kenmerken die je als vanaf je geboorte hebt
Secundaire geslachtskenmerken = kenmerken die je ontwikkelt in de pubertijd
Tertiaire geslachtskenmerken = in de pubertijd verander je ook geestelijk en
verandert je gedrag
Mensen kunnen verschillende seksuele voorkeuren hebben:
- Heteroseksueel = op andere geslacht
- Homoseksuel = man en man
- Lesbisch = vrouw en vrouw
- Biseksueel = beide geslachten
- Aseksueel = niet seksueel aangetrokken tot anderen
- Transgender = voelen zich niet thuis bij hun biologische geslacht
- Intersekse = voelen zich man en vrouw
4.2 vorming van geslachtscellen
Geslachtscellen zijn haploïd (n). Ze bevatten van elke type chromosoom er maar
één. Doordat een zygote ontstaan na het versmelten van twee gameten, bevat elk
chromosoom twee exemplaren (diploïd 2n). Geslachtscellen ontstaan in twee fasen
door een bijzondere deling. Door meiose ontstaan uit een diploïde cel vier haploïde
cellen.
Meiose 1:
Interfase 1: De cel verdubbelt zijn DNA.
Vroege profase 1: Het kernmembraan valt uiteen en de chromosomen
spiraliseren. De homologe chromosomen komen netjes gestoreteerd bij elkaar
liggen. Er treedt crossing-over op. Chromatiden verstrengelen en wisslen
stukken uit.
Metafase 1: Kernspoel ontstaan en eiwitdraden trekken de chromosoomparen
naar het midden van de cel.
Anafase 1: Ze scheiden de chromosoomparen van elkaar.
Telofase 1: De cel splitst zich in twee haploïde dochtercellen
Meiose 2:
Profase 2: gebeurd zelfde als in profase 1.