Samenvatting hoofdstuk 1: Kopen is kiezen
Pincode
1.1
Schaarste ontstaat doordat je niet genoeg middelen hebt om in al je behoeften te voorzien,
zoals tijd en geld.
Geld = een middel om de waarde van iets uit te drukken.
Tevredenheid, plezier in je werk, vriendschap, respect en waardering zijn waarden die
belangrijk zijn voor je levensgeluk en die niet (of moeilijk) uit te drukken zijn in geld.
Budget = de hoeveelheid geld waarover je kunt beschikken in een bepaalde periode.
Begroting = overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode.
Budgetteren = het maken van een begroting.
Uitgaven lager dan inkomsten → sparen
Uitgaven hoger dan inkomsten → tekort → budgettair probleem (budgetprobleem) →
begroting is niet sluitend
Je onderscheidt de volgende uitgaven:
- Dagelijkse uitgaven: uitgaven voor levensonderhoud (eten en drinken, huishoudelijke
artikelen en persoonlijke verzorging).
- Vaste lasten: uitgaven die iedere periode terugkomen (gas en elektra, woonlasten,
abonnementen, verzekeringen).
- Incidentele uitgaven: uitgaven die af en toe voorkomen (aanschaf van kleren,
huishoudelijke apparaten of vakanties).
Budgetlijn geeft de grenzen aan je budget weer. Ieder punt op de budgetlijn geeft aan
hoeveel een persoon met een gegeven inkomen en gegeven prijzen kan kopen van twee
goederen of goederenpakketten.
Budgetset = het gebied onder de budgetlijn en de budgetlijn zelf. Omvat combinaties van
een hoeveelheid van het ene goed en een hoeveelheid van het andere goed die je met het
gegeven inkomen en tegen de gegeven prijs kunt kopen.
Bestedingspatroon = manier waarop iemand zijn inkomen besteedt.
Formule M= PxX + PyY
M= inkomen
Px= prijs van goed x
X= hoeveelheid goed x
Py= prijs van goed y
Y= hoeveelheid goed y
Stappenplan voor het tekenen van de budgetlijn:
1. Bereken de hoeveelheid x als de hoeveelheid y nul is.
2. Bereken de hoeveelheid y als de hoeveelheid x nul is.
3. Teken een assenstelsel en teken de punten van 1 en 2.
4. Trek een rechte lijn tussen beide punten.
Pincode
1.1
Schaarste ontstaat doordat je niet genoeg middelen hebt om in al je behoeften te voorzien,
zoals tijd en geld.
Geld = een middel om de waarde van iets uit te drukken.
Tevredenheid, plezier in je werk, vriendschap, respect en waardering zijn waarden die
belangrijk zijn voor je levensgeluk en die niet (of moeilijk) uit te drukken zijn in geld.
Budget = de hoeveelheid geld waarover je kunt beschikken in een bepaalde periode.
Begroting = overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven in een bepaalde periode.
Budgetteren = het maken van een begroting.
Uitgaven lager dan inkomsten → sparen
Uitgaven hoger dan inkomsten → tekort → budgettair probleem (budgetprobleem) →
begroting is niet sluitend
Je onderscheidt de volgende uitgaven:
- Dagelijkse uitgaven: uitgaven voor levensonderhoud (eten en drinken, huishoudelijke
artikelen en persoonlijke verzorging).
- Vaste lasten: uitgaven die iedere periode terugkomen (gas en elektra, woonlasten,
abonnementen, verzekeringen).
- Incidentele uitgaven: uitgaven die af en toe voorkomen (aanschaf van kleren,
huishoudelijke apparaten of vakanties).
Budgetlijn geeft de grenzen aan je budget weer. Ieder punt op de budgetlijn geeft aan
hoeveel een persoon met een gegeven inkomen en gegeven prijzen kan kopen van twee
goederen of goederenpakketten.
Budgetset = het gebied onder de budgetlijn en de budgetlijn zelf. Omvat combinaties van
een hoeveelheid van het ene goed en een hoeveelheid van het andere goed die je met het
gegeven inkomen en tegen de gegeven prijs kunt kopen.
Bestedingspatroon = manier waarop iemand zijn inkomen besteedt.
Formule M= PxX + PyY
M= inkomen
Px= prijs van goed x
X= hoeveelheid goed x
Py= prijs van goed y
Y= hoeveelheid goed y
Stappenplan voor het tekenen van de budgetlijn:
1. Bereken de hoeveelheid x als de hoeveelheid y nul is.
2. Bereken de hoeveelheid y als de hoeveelheid x nul is.
3. Teken een assenstelsel en teken de punten van 1 en 2.
4. Trek een rechte lijn tussen beide punten.