Je weet uit welke onderdelen het vooronderzoek bestaat en hoe je deze moet uitvoeren.
- Subjectieve data (toepassing lens; lensverleden; etc.)
- Binoculaire overrefractie
o Check visus met bekende sterkte
o Monoculair nevelen
o Monoculair opbouwen tot 1,0
o Binoculair fysiologisch septum (let op: genevelde oog V≤0,7)
o Comfortest
- Keratometrie
- SLE incl. BUT
Je begrijpt het begrip restastigmatisme en kunt dit berekenen aan de hand van de formule.
Restastigmatisme: de cilinder die niet gecorrigeerd wordt.
- Zachte lenzen: refractiecilinder
- Vormstabiele lenzen: [cornea-astigmatisme] – [refractie-astigmatisme]
Je hebt kennis van de geschiedenis van de ontwikkeling van contactlenzen
Eerste contactlens: glas
- Ademt niet (slechter zicht door: geen doorstroming, afvalstoffen die niet afgevoerd worden
en zuurstoftekort)
Jaren 50: kleine lens
- Voordeel: kan bewegen om vochten zuurstof te verdelen/door te laten
- Nadeel: kijkt tegen rand aan en minder comfort
Jaren 80: grotere-/zuurstofdoorlatende lenzen
Je weet welke verschillende materialen voor zachte lenzen gebruikt worden.
Materiaal zachte contactlens: t/m 2000 alleen hydrogels
- Groep 1 t/m 4: hydrogels
o 1: <50% watergehalte, niet ionisch
o 2: >50% watergehalte, niet ionisch (max. 78%)
o 3: <50% watergehalte, ionisch
o 4: >50% watergehalte, ionisch (max. 78%)
o Hoe meer water; hoe meer zuurstof
- Groep 5: siliconen hydrogel (va. 2000)
o Waterafstotend
o Hydrogel zelf laat geen zuurstof door, dit doet het water. Door siliconen laat zowel
het siliconen als het water zuurstof door. Alleen siliconen werkt niet, omdat dit geen
vocht bevat; doet pijn.
o Hoe meer water; hoe minder zuurstof