Methodiek & Begeleiden
Thema 5 Signaleren en observeren
Waarnemen - het opnemen van prikkels die op je afkomen. – gebeurt vrijwel altijd onbewust.
Tijdens werk ben je ook bezig met waarnemen – dit doe je bewust.
Signaleren- het opmerken van bijzonderheden in gedrag.
Interpreteren- betekenis geven aan verzamelde informatie.
Observeren is anders dan waarnemen. Dit doe je in bijzondere situatie’s en altijd doelgericht volgens
een bepaalde methode. Dit gaat altijd over het gedrag die je gaat onderzoeken. Hierbij moet je niet
interpreteren. – Objectief mogelijk blijven en alleen kijken naar feiten.
Participerend observeren noem je ook wel : Intern observeren
- Je bent actief bezig in de groep terwijl je tegelijkertijd observeert. Je doet dus 2 dingen tegelijk:
bezig met observeren en met dagelijkse werkzaamheden.
- Valkui is dat je bij deze manier van observeren makkelijk invloed kunt uitoefenen op de situatie.
- Goede keuze wanneer je vraagstelling nog niet concreet is.
Niet-participerend observeren noem je ook wel: Extern observeren.
- Je bent aanwezig in de groep , maar je neemt niet deel aan de activiteiten.
- Alleen gericht op observatie.
- Prettig wanneer je een complexe observatievraag hebt , voldoende tijd en ruimte om het
nauwgezet uit te voeren.
Vrije observatie:
- werken met een doel , maar observatievragen zijn nog niet concreet.
- wordt vaak gebruikt als vooronderzoek
- Continue observeren. Veel dingen vast leggen. Feiten noteren
Gestructureerde observatie:
- exacte doel , duidelijke observatievraag.
- resultaten worden vaak in getallen uitgedrukt.
- bijvoorbeeld wanneer je wilt observeren hoe vaak iets voorkomt.
Intervalobservatie:
- observeren op wisselende tijden.
- aan de hand van observatiedoel en observatievragen.
- Vooraf afleggen wanneer je gaat observeren.
- zelfde methode en middelen.
Contextuele observatie:
- niet de client maar de omgeving is de middelpunt.
- registreren wat er in de omgeving van de client gebeurt.
Thema 5 Signaleren en observeren
Waarnemen - het opnemen van prikkels die op je afkomen. – gebeurt vrijwel altijd onbewust.
Tijdens werk ben je ook bezig met waarnemen – dit doe je bewust.
Signaleren- het opmerken van bijzonderheden in gedrag.
Interpreteren- betekenis geven aan verzamelde informatie.
Observeren is anders dan waarnemen. Dit doe je in bijzondere situatie’s en altijd doelgericht volgens
een bepaalde methode. Dit gaat altijd over het gedrag die je gaat onderzoeken. Hierbij moet je niet
interpreteren. – Objectief mogelijk blijven en alleen kijken naar feiten.
Participerend observeren noem je ook wel : Intern observeren
- Je bent actief bezig in de groep terwijl je tegelijkertijd observeert. Je doet dus 2 dingen tegelijk:
bezig met observeren en met dagelijkse werkzaamheden.
- Valkui is dat je bij deze manier van observeren makkelijk invloed kunt uitoefenen op de situatie.
- Goede keuze wanneer je vraagstelling nog niet concreet is.
Niet-participerend observeren noem je ook wel: Extern observeren.
- Je bent aanwezig in de groep , maar je neemt niet deel aan de activiteiten.
- Alleen gericht op observatie.
- Prettig wanneer je een complexe observatievraag hebt , voldoende tijd en ruimte om het
nauwgezet uit te voeren.
Vrije observatie:
- werken met een doel , maar observatievragen zijn nog niet concreet.
- wordt vaak gebruikt als vooronderzoek
- Continue observeren. Veel dingen vast leggen. Feiten noteren
Gestructureerde observatie:
- exacte doel , duidelijke observatievraag.
- resultaten worden vaak in getallen uitgedrukt.
- bijvoorbeeld wanneer je wilt observeren hoe vaak iets voorkomt.
Intervalobservatie:
- observeren op wisselende tijden.
- aan de hand van observatiedoel en observatievragen.
- Vooraf afleggen wanneer je gaat observeren.
- zelfde methode en middelen.
Contextuele observatie:
- niet de client maar de omgeving is de middelpunt.
- registreren wat er in de omgeving van de client gebeurt.