Casus 8
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Wat zijn de fasen van de longontwikkeling? (Niet óntzettend diep)
2. Hoe is de bloedsomloop van het kind in de baarmoeder opgebouwd?
3. Welke veranderingen ondergaan het hart en de longen vlak na de geboorte?
4. Wat is de werking van surfactant?
5. Wat is icerus neonatorum en hoe ontstaat het?
6. Hoe ontstaat HMZ?
7. Ethiek: vanaf welke leeftijd (weken) moet je een kind in leven houden?
Wat zijn de fasen van de longontwikkeling?
Embryonale fase (4-8 weken)
In de vierde week van de ontwikkeling groeit er in de endodermale voordarm een uitstulping, laryngotracheale
diventrikel, dat caudaal groeit. Hieruit ontwikkelt zich het luchtwegepitheel en het respiratoire epitheel van de
longblaasjes. Nadat de uitstulping voor de onderste luchtwegen is ontstaan, neemt het gedeelte van de
voordarm dat zich caudaal van de uitstulping bevindt snel in lengte toe. Dit wordt later het oesofagus. Het
caudale einde van de uitstulping vertakt zich dichotoom, dat wil zeggen in twee kleinere structuren. Dit zijn de
eerste vertakkingen van de bronchiaalboom. Samen met het omgevende mesoderm vormen ze twee
longknoppen waaruit de beide longen ontstaan.
Pseudoglandulaire fase (8-16 weken)
De bronchiaalboom splitst zich verder in de bronchi lobares (rechts 3, links 2), de bronchi segmentales en nog
vijftien tot twintig andere generaties.
Uit deze generaties ontstaat het niet respiratoire gedeelte van de longen (bronchi en bronchioli). Bij dit
vertakkingsproces speelt SHH een cruciale rol.
Canaliculaire fase (13-26 weken)
Vanaf de vierde maand beginnen de respiratoire delen van de bronchiaalboom te vormen. In de canaliculaire
fase ontwikkelen de bronchi respiratorii en ductuli alveolares. De wanden van deze structuren bestaan uit
kubisch epitheel. Er vindt een intensieve groei van bloedvaten in de longen plaats en er ontwikkelt zich een
netwerk van capillairen om de respiratoire delen.
Sacculaire fase (25 weken - geboorte)
In deze periode ontstaan de sacculi alveolares en de alveoli. De respiratoire delen worden omgeven door een
netwerk van elastische en collagene vezels. Daarna stulpt het epitheel uit. In deze uitstulpingen wordt een
aantal kubische cellen tot dunne, platte cellen (type I) en gaan de capillairen hieromheen liggen. De
overblijvende kubische cellen (type II) produceren surfactant.
Alveolaire fase (29 weken – 8 jaar)
In deze periode ontwikkelen de primitieve alveoli zich tot volwassen alveoli. Ze worden groter en hun epitheel
wordt dunner en platter.
, Hoe is de bloedsomloop van het kind in de baarmoeder opgebouwd?
Voor de geboorte stroomt zuurstofrijkbloed vanaf de placenta via de linker v.
umbilicalis, de ductus venosus van de lever en de v. cava inferior naar het
rechteratrium van het hart. Vervolgens stroomt het door het foramen ovale naar
het linker atrium en daarna via de linkerventrikel naar de aorta. Er wordt bloed
afgegeven aan de lever en, via de rechterventrikel van het hart en de truncus
pulmonalis, aan de longen. Via de aorta worden alle andere delen van het
lichaam bereikt. Ten slotte keert het bloed door de aa. Umbilicales terug naar de
placenta.
Het bloed uit de placenta is voor 80% verzadigd met zuurstof. Op verschillende
plaatsen in de lichaamscirculatie vindt menging met zuurstofarm bloed plaats:
1. In de ductus venosus met bloed uit de v. portae
2. In de v. cava inferior met bloed uit de lever, de nieren en bijnieren, het
bekken en de beide benen
3. In geringe mate in het rechteratrium van het hart met bloed uit de v.
cava superior en de sinus coronarius
4. Eveneens in geringe mate in het linkeratrium van het hart met bloed uit
de vv. pulmonales
5. In de aorta descendens met bloed uit de ductus arteriosus
(Zie onderste plaatje)
Omdat de weerstand in de longvaten voor de geboorte zeer groot is, stroomt slechts 5-10% van het bloed uit
de rechterventrikel naar de longen. Het meeste bloed gaat via de a. pulmonalis door de ductus arteriosus naar
de aorta descendens.
Welke veranderingen ondergaan het hart en de longen vlak na de geboorte?
De baby heeft in de buik van de moeder de longen al getraind door slokjes vruchtwater binnen te krijgen. Maar
na de geboorte komt er voor het eerst lucht in de longen.
Zo gauw het kind na de geboorte gaat ademen, wordt de weerstand van de longen sterk verlaagd en neemt de
bloedtoevoer naar de longen sterk toe.
Door het afbinden van de navelstreng wordt de aanvoer van bloed uit de placenta onderbroken. Vervolgens
vindt er 5-10 minuten na de geboorte een contractie plaats van de aa.umbilicales (aders naar de placenta)
waardoor de placenta geen bloed meer ontvangt.
Het afbinden van de navelstreng veroorzaakt een drukverlaging in de ductus venosus, waardoor deze wordt
vernauwd. De ductus venosus wordt daarna gesloten door de elastische vezels in de wand.
Wat er overblijft van de bloedvaten die van en naar de placenta gingen, zijn ligamenten.
Door verlaging van de weerstand in de longen neemt de druk rechts af, maar links
blijft hij min of meer gelijk. Het septum primum wordt nu tegen het septum
secundum gedrukt waardoor het foramen ovale sluit.
Circulatie en Ademhaling I
Leerdoelen:
1. Wat zijn de fasen van de longontwikkeling? (Niet óntzettend diep)
2. Hoe is de bloedsomloop van het kind in de baarmoeder opgebouwd?
3. Welke veranderingen ondergaan het hart en de longen vlak na de geboorte?
4. Wat is de werking van surfactant?
5. Wat is icerus neonatorum en hoe ontstaat het?
6. Hoe ontstaat HMZ?
7. Ethiek: vanaf welke leeftijd (weken) moet je een kind in leven houden?
Wat zijn de fasen van de longontwikkeling?
Embryonale fase (4-8 weken)
In de vierde week van de ontwikkeling groeit er in de endodermale voordarm een uitstulping, laryngotracheale
diventrikel, dat caudaal groeit. Hieruit ontwikkelt zich het luchtwegepitheel en het respiratoire epitheel van de
longblaasjes. Nadat de uitstulping voor de onderste luchtwegen is ontstaan, neemt het gedeelte van de
voordarm dat zich caudaal van de uitstulping bevindt snel in lengte toe. Dit wordt later het oesofagus. Het
caudale einde van de uitstulping vertakt zich dichotoom, dat wil zeggen in twee kleinere structuren. Dit zijn de
eerste vertakkingen van de bronchiaalboom. Samen met het omgevende mesoderm vormen ze twee
longknoppen waaruit de beide longen ontstaan.
Pseudoglandulaire fase (8-16 weken)
De bronchiaalboom splitst zich verder in de bronchi lobares (rechts 3, links 2), de bronchi segmentales en nog
vijftien tot twintig andere generaties.
Uit deze generaties ontstaat het niet respiratoire gedeelte van de longen (bronchi en bronchioli). Bij dit
vertakkingsproces speelt SHH een cruciale rol.
Canaliculaire fase (13-26 weken)
Vanaf de vierde maand beginnen de respiratoire delen van de bronchiaalboom te vormen. In de canaliculaire
fase ontwikkelen de bronchi respiratorii en ductuli alveolares. De wanden van deze structuren bestaan uit
kubisch epitheel. Er vindt een intensieve groei van bloedvaten in de longen plaats en er ontwikkelt zich een
netwerk van capillairen om de respiratoire delen.
Sacculaire fase (25 weken - geboorte)
In deze periode ontstaan de sacculi alveolares en de alveoli. De respiratoire delen worden omgeven door een
netwerk van elastische en collagene vezels. Daarna stulpt het epitheel uit. In deze uitstulpingen wordt een
aantal kubische cellen tot dunne, platte cellen (type I) en gaan de capillairen hieromheen liggen. De
overblijvende kubische cellen (type II) produceren surfactant.
Alveolaire fase (29 weken – 8 jaar)
In deze periode ontwikkelen de primitieve alveoli zich tot volwassen alveoli. Ze worden groter en hun epitheel
wordt dunner en platter.
, Hoe is de bloedsomloop van het kind in de baarmoeder opgebouwd?
Voor de geboorte stroomt zuurstofrijkbloed vanaf de placenta via de linker v.
umbilicalis, de ductus venosus van de lever en de v. cava inferior naar het
rechteratrium van het hart. Vervolgens stroomt het door het foramen ovale naar
het linker atrium en daarna via de linkerventrikel naar de aorta. Er wordt bloed
afgegeven aan de lever en, via de rechterventrikel van het hart en de truncus
pulmonalis, aan de longen. Via de aorta worden alle andere delen van het
lichaam bereikt. Ten slotte keert het bloed door de aa. Umbilicales terug naar de
placenta.
Het bloed uit de placenta is voor 80% verzadigd met zuurstof. Op verschillende
plaatsen in de lichaamscirculatie vindt menging met zuurstofarm bloed plaats:
1. In de ductus venosus met bloed uit de v. portae
2. In de v. cava inferior met bloed uit de lever, de nieren en bijnieren, het
bekken en de beide benen
3. In geringe mate in het rechteratrium van het hart met bloed uit de v.
cava superior en de sinus coronarius
4. Eveneens in geringe mate in het linkeratrium van het hart met bloed uit
de vv. pulmonales
5. In de aorta descendens met bloed uit de ductus arteriosus
(Zie onderste plaatje)
Omdat de weerstand in de longvaten voor de geboorte zeer groot is, stroomt slechts 5-10% van het bloed uit
de rechterventrikel naar de longen. Het meeste bloed gaat via de a. pulmonalis door de ductus arteriosus naar
de aorta descendens.
Welke veranderingen ondergaan het hart en de longen vlak na de geboorte?
De baby heeft in de buik van de moeder de longen al getraind door slokjes vruchtwater binnen te krijgen. Maar
na de geboorte komt er voor het eerst lucht in de longen.
Zo gauw het kind na de geboorte gaat ademen, wordt de weerstand van de longen sterk verlaagd en neemt de
bloedtoevoer naar de longen sterk toe.
Door het afbinden van de navelstreng wordt de aanvoer van bloed uit de placenta onderbroken. Vervolgens
vindt er 5-10 minuten na de geboorte een contractie plaats van de aa.umbilicales (aders naar de placenta)
waardoor de placenta geen bloed meer ontvangt.
Het afbinden van de navelstreng veroorzaakt een drukverlaging in de ductus venosus, waardoor deze wordt
vernauwd. De ductus venosus wordt daarna gesloten door de elastische vezels in de wand.
Wat er overblijft van de bloedvaten die van en naar de placenta gingen, zijn ligamenten.
Door verlaging van de weerstand in de longen neemt de druk rechts af, maar links
blijft hij min of meer gelijk. Het septum primum wordt nu tegen het septum
secundum gedrukt waardoor het foramen ovale sluit.